Een spoedcursus Toeareg

Nederland doet mee aan een VN-vredesmacht in Mali. Wat weten we van de problemen daar? Weinig. Louise O. Fresco is bezorgd.

De meeste Nederlanders weten niet veel meer van Mali dan dat het een arm, warm en dor land is, waar zo veel gedoe is dat Nederland een troepenmacht moet sturen. Journalist H.J.A. Hofland en anderen trekken de noodzaak daartoe in twijfel. Ook ik heb eerder vragen bij een interventie in Mali gesteld, maar nu de kogel door de kerk (of beter, de moskee) is, wordt het tijd voor een spoedcursus Mali voor soldaat en krantenlezer.

Voor alles is opheldering nodig over het volk dat centraal staat in het conflict, de Toeareg – die in de verwarrende berichtgeving met islamisten, ‘rebellen’ en Al-Qaeda op één hoop worden gegooid. Nederland, dat zo veel minder kennis van de regio heeft dan Frankrijk, kan zich niet permitteren fouten te maken. Zoals Afghanistan ons leert: de sleutel voor succesvolle interventie en wederopbouw ligt in het begrip voor cultuur en geschiedenis.

Noord-Mali wordt bijna exclusief bewoond door een half miljoen Toeareg, afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika. Zij zijn dus geen Arabieren. Zij spreken Tamasheq en vergelijkbare dialecten die verwant zijn aan het Berbers. De Toeareg zijn monogaam en veelal matriarchaal. De vrouwen gaan traditioneel ongesluierd. De van oudsher nomadische stammen zijn in staat te overleven in het onherbergzaamste deel van de Sahel en Sahara, bij een bevolkingsdichtheid van één persoon per vierkante kilometer. Zij heten ‘blauwe mensen’, wegens hun met indigo gekleurde gewaden die kleur afgeven aan de huid.

Azawagh (weidegronden) is de naam van het grondgebied van de Toeareg dat zij altijd fel verdedigd hebben. Sinds 1950 bestaat er een onafhankelijkheidsbeweging, de MNLA, voor de bevrijding van Azawagh. Vorig jaar, na de staatsgreep, riep deze eenzijdig de onafhankelijkheid uit, overigens meteen door de Afrikaanse Unie veroordeeld.

De MNLA is een tijdelijk verbond aangegaan met de islamistische groepering Anwar Din, en andere aan Al-Qaeda verbonden rebellen, maar dat hield geen stand, aangezien de MNLA vasthoudt aan haar seculiere karakter. Dat beide partijen – islamisten en Toeareg – handig gebruikmaken van elkaar om zich te verzetten tegen het centrale gezag in Bamako lijdt geen twijfel.

Hoewel de Toeareg nauwelijks over wapens beschikken, zijn zij door hun gedetailleerde kennis van de woestijn een geduchte tegenstander. Bewapening door islamisten werkt sterk in hun voordeel, net als de banden met de Toeareg in Niger, met wie zij al sinds de rebellie van 1990 nauw optrekken.

De strijd van de Toeareg is een klassieke strijd, veel ouder dan die van de islamisten. Het is een strijd om land en water met gevestigde landbouwers, om erkenning als minderheid in een centralistische natie, een anti-koloniale strijd, maar ook een strijd om controle van natuurlijke hulpbronnen, vooral uranium.

Het huidige conflict valt terug te voeren op de droogte van de jaren zeventig en tachtig, toen naar schatting bijna de helft van de kuddes is omgekomen en tienduizenden de honger ontvluchtten naar Zuid-Malinese steden of buurlanden. Ook daar waren de Toeareg niet welkom: Algerije deporteerde in de jaren negentig de vluchtelingen weer. Maar toen was het kwaad al geschied: jonge Toeareg hadden de weg gevonden naar paramilitaire trainingskampen in Libië.

Dat aan Al-Qaeda gerelateerde groeperingen een bedreiging voor de stabiliteit vormen, staat vast. Maar het zou een tragische uitkomst van de Nederlandse interventie zijn als de Toeareg daarvan per slot het slachtoffer worden. Militair ingrijpen is een noodzakelijke voorwaarde om de rust te herstellen, maar nu al moet nagedacht worden over wederopbouw. En dat betekent erkenning van de claims van de Toeareg op een menswaardig bestaan, vooral door de regering van Maili. Behalve militaire interventie ligt er veel diplomatiek werk in het verschiet.