Zoeken naar familie, water en eten

Foto AFP

Verslaggever

Je haalt je spullen binnen. Je sluit je deuren en ramen. Wat los zit, bind je vast. Je zoekt het diepst weggestopte hoekje van je huis op en wacht af.

Maar het wordt allemaal veel erger dan voorspeld. De wind trekt – krrr, krrrr, krrrr – stukje bij beetje het dak van je huis. De regen stroomt vanaf boven je slaapkamer in, de vloedgolf komt beneden door de deur. Je sleept van hot naar her met je waardevolle spullen, tot alles doorweekt is en je doodsbang en uitgeput op de trap gaat zitten. Het geweld gaat uren door, je halve huis waait weg. Of je hele huis, als het uit golf- en spaanplaten bestaat. Niks is meer heel in je buurt, in je stad, in je provincie.

Plots is het voorbij. De wind neemt af. De wolken trekken voorbij. De zon komt op. En – bizar genoeg – beginnen de vogeltjes te fluiten.

En dan? Wat doe je op de eerste dag na een tyfoon als deze?

Regina Jansen woont met haar man Theo in Manila, op de Filippijnen. Ze werken voor zendingsorganisatie OMF. Ze zaten niet in het getroffen gebied, maar hebben zelf wel eerder zeer zware stormen meegemaakt. Ze wachten nu op gasten die arriveren uit het rampgebied.

Zeven jaar geleden maakten ze een zware tyfoon mee die het dak van hun huis trok. Ze woonden in Manila toen 80 procent van de stad onder water kwam te staan. Vijftien jaar geleden zaten ze middenin een zware aardbeving die ernstige schade aanrichtte. Theo en Regina weten inmiddels wel hoe ‘de dag erna’ eruit ziet. Aan de telefoon: „Op de Filippijnen is er elke week wel ergens wat.” Al is deze ramp uitzonderlijk in omvang en ernst.

Wat zie je nou na zo’n storm? „De destructie.” De straten liggen vol met puin, palen, bomen, omgeblazen auto’s, spaanplaten, huisraad, en als het heel erg was lichamen van mensen.  Maar, zegt Jansen, „soms zijn de straten zijn verrassend schoon. Want zo makkelijk als het water aan de kust door de straten stroomt, zo makkelijk stroomt het ook weer de zee in.”

Wat hoor je? Vogeltjes, dus. En stilte. Er is weinig verkeer. De straten zijn onbegaanbaar door puin en water en de auto’s liggen op z’n kop.

En wat voel je? „Uitputting. Na een storm ben je heel, heel erg moe.” En dan komt de wanhoop.

Mensen hebben helemaal geen reserves

Als de doodsangst geweken is, vragen de eerste, urgentste zorgen allemaal tegelijk om aandacht.

Eén: leeft iedereen nog? Dat is heel moeilijk te achterhalen, want mobieltjes doen het niet en er is geen elektriciteit en geen internet. Soms duurt het maanden voordat de stroom terug is.

Twee: is er water? De waterleiding is hoogstwaarschijnlijk stuk, dus uit de kraan of de pomp komt niets. Jansen: „Wij konden na een overstroming regenwater in een ton vangen en daar een filter in doen. Veel mensen hebben die niet. In een grote stad als Manila komt na verloop van tijd wel een wagen met water langs, maar in het rampgebied is er nu helemaal niks.”

Drie: is er eten? Ook winkels zijn beschadigd en de infrastructuur voor voedseltransport is kapot. Jansen: „Arme mensen, en dat is de helft van de bevolking, hebben meteen geen eten meer. In deze maatschappij koop je je eten met wat je die dag hebt verdiend. Mensen hebben helemaal geen reserves.”

Vanaf het eerste moment na de storm ben je dus veroordeeld om de hele dag de straten af te struinen: op zoek naar familie, water en brood. En als het nodig is medische zorg, die overbelast, onbereikbaar of afwezig is. Wie geen geld op voorraad heeft, kan niets kopen. Banken functioneren niet meer.

Ook moet je je huisje repareren, of een provisorische schuilplaats optrekken voor de nacht of de volgende storm. Dat doe je met alles wat maar te vinden is. Toen de wind het dak van het huis van de Jansens had getrokken, hoorden ze de volgende ochtend om 6 uur al geklop en getimmer. De buren waren het afgewaaide dak op hun eigen huisje aan het zetten.

Als je huis er nog staat, ligt na een overstroming alles onder zeker 20, 30 centimeter vieze modder, weet Jansen nog. „Slib, olie, troep, écht vies. Je wil schoonmaken, maar je hebt geen water.” Bezittingen gaan naar buiten om te drogen. „Dekens, matrassen, lakens, boeken, autostoelen, álles.” Wie er de energie voor heeft, graaft een gat dat dienst doet als wc. „Want doortrekken kan niet meer.” Besmettingsgevaar is er meteen: in rattenurine, dat vermengd raakt met het water in de straat, zitten ziekmakende bacteriën.

Wanneer de avond valt, doemen nieuwe zorgen op. Veel mensen slapen buiten, te midden van de bezittingen die ze nog hebben. De meeste huizen kunnen niet meer goed op slot. „Je moet vanaf dag één wachten uitzetten die je huis bewaken”, zegt Jansen. „Er wordt onmiddellijk geplunderd.” Politieagenten en beveiligingsmedewerkers kiezen er meestal voor eerst hun eigen spullen te redden, waardoor plunderaars vrij spel hebben.

Plunderaars zijn de reden dat veel mensen weigeren te evacueren voor een storm. „Ze denken: als ik mijn huis achterlaat, is alles van waarde weg. Dan is het óf weggeblazen óf gestolen.” En dat was nog maar dag één. De echte schaarste, wetteloosheid en uitbraken van ziektes moeten nog komen.

Mensen op de Filippijnen zijn veerkrachtig, zegt Jansen. Ze zijn gewend aan rampspoed. „Maar dit jaar is het wel heel erg. Tyfonen krijgen een naam, en elk jaar beginnen ze bij de A. Tyfoon Haiyan heet hier Yolanda. We hebben nog maar één letter over.”