Wet dwingt niet perse tot retour van roofkunst

De huidige juridische aanpak van roofkunst is niet langer afdoend. Zet in op alternatieve geschillenbeslechting voor de behandeling van claims, schrijft Evelien Campfens.

Illustratie arcadio esquivel

De vondst van ruim veertienhonderd kunstwerken in een flat in München heeft een verhitte internationale discussie ontketend over nazi-roofkunst en de vraag hoe met aanspraken van beroofde eigenaren om te gaan. Dit debat speelt zich af in een grijs gebied waar ethische normen op gespannen voet staan met het geldende recht.

Verontwaardigde reacties waren te horen op de mededeling dat de vondst geheim is gehouden, en er bovendien geen plannen waren de werken te publiceren. Het is maar de vraag of er sprake is van een illegale situatie en het betreft geen openbare maar een particuliere collectie, zo leek de boodschap. Onder toepassing van Duitse rechtsregels is het niet onwaarschijnlijk dat Cornelius Gurlitt, de 79-jarige zoon van de kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt, die een deel van de werken kennelijk verwierf als inkoper van Hitler, zoveel jaar na de roof als rechtmatige eigenaar moet worden aangemerkt.

Consternatie. Want hoe weet de wereld waar het om gaat? En ongeloof. Hoe kunnen werken rechtmatig eigendom zijn en blijven van de zoon van Hildebrand Gurlitt? Hoe verhoudt zich dit tot aanwijzingen dat zich onder deze werken geroofd Joods bezit bevindt, zoals de Max Liebermann uit de collectie Friedman en de Matisse uit de collectie van Paul Rosenberg?

Het illustreert de complexe juridische status van roofkunst. Claims van beroofde eigenaren zijn zeventig jaar na het bezitsverlies onder Duits recht, net als onder Nederlands recht, in principe verjaard. Maar hoe zit het dan met de internationale regels, voor het eerst vastgelegd in 1998 in Washington, waaraan ook de Duitse regering zich heeft gecommitteerd? Deze regels bepalen het volgende:

– transparantie ten aanzien van ‘verdachte’ werken, bijvoorbeeld door publicatie van werken op een website (zoals de Nederlandse Museumvereniging eind oktober deed);

– een proactieve houding ten opzichte van voormalige beroofde eigenaren of hun erfgenamen, en een fair and just solution voor claims (vrij vertaald een billijke oplossing); en

– alternatieve procedures voor de behandeling van claims (zoals de Restitutiecommissie biedt in Nederland).

Bondskanselier Merkel heeft inmiddels laten weten dat ook Duitsland zich zal houden aan de Washington Principles en, als sprake is van roofkunst, gestreefd wordt naar publicatie. Dat is goed nieuws. Maar de vraag blijft wat dit betekent voor claims van families van beroofde eigenaren. Worden die overgelaten aan het reguliere Duitse rechtssysteem? Want let wel, de fair and just-regel zal de Duitse wet niet opzij zetten. Het gaat om niet-afdwingbare regels, soft law, en niet om verdragsnormen die in Duitse (of Nederlandse) wetgeving zijn omgezet. De norm heeft in Duitsland vorm gekregen in een beleid van de federale regering voor openbare collecties, maar is niet zomaar toepasbaar op particuliere collecties. Het is niet anders in Nederland, behalve dan dat in Nederland een proactieve houding wordt gestimuleerd doordat de minister van OCW de Restitutiecommissie beschikbaar stelt voor advisering ook bij geschillen over particulier bezit, als alternatief voor een juridische procedure.

Een analyse van de juridische status van roofkunst, waar bijna altijd internationale aspecten aan zitten, is het zoeken van een weg in een juridisch labyrint. Wetten uit oorlogstijd, naoorlogse wetgeving, geallieerde wetten uit naoorlogs Duitsland en (internationaal) privaatrecht leiden vaak tot onvoorspelbare uitkomsten. Daarbij komt dat de vraag bij wie de eigendomstitel ligt na diefstal, principieel anders wordt benaderd in landen met het continentale rechtssysteem zoals Nederland en Duitsland, dan in landen met het Anglo-Amerikaanse rechtssysteem. Onbegrip tussen partijen ligt op de loer.

De Gurlitt-werken worden aangemerkt als particuliere collectie. Daarin zou natuurlijk verandering kunnen komen door verbeurdverklaring in verband met belastingschulden of iets dergelijks. Toch lijkt het me zelfs in deze situatie goed als wordt ingezet op alternatieve geschillenbeslechting voor de behandeling van claims van beroofde Joodse families. Met instemming van de huidige eigenaar zou een commissie kunnen worden ingesteld voor onderzoek en beoordeling van claims. Wie zegt dat deze hier niet open voor staat als hem het belang duidelijk wordt gemaakt? Dit met het doel de procedure te dejuridiseren en obstakels te omzeilen die aan een beoordeling van claims op hun merites in de weg staan.

Ook een dergelijke alternatieve procedure zal tijd kosten. Het is nu eenmaal niet een zaak van publiceren en verdelen. Naast onderzoek naar de werken zelf en de verwerving door Hildebrand (of Cornelius) Gurlitt, zal immers onderzoek nodig zijn naar de omstandigheden van het bezitsverlies en eventuele naoorlogse compensaties.

De procedure zal bovendien zorgvuldig en transparant moeten zijn en degenen die moeten oordelen zullen vooral wijs moeten zijn en zullen het vertrouwen moeten genieten van partijen. Overigens is er in Duitsland een alternatieve geschillencommissie die zich met claims op mogelijke Nazi-roofkunst bezig houdt, zij het met een mandaat dat zich beperkt tot openbare collecties, de zogenoemde Beratende Kommission.

Een formalistisch-legalistische benadering is hier naar mijn idee in elk geval geen afdoend antwoord. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat juridische uitgangspunten geen rol hebben in een alternatieve procedure.