We kunnen niets onbewaakt laten

Inwoners van Tacloban bedekken hun neus om de geur van ontbindende lichamen tegen te houden. Foto AP

Verslaggevers

40.000 kilo eiwitrijk biscuit – dat is onderweg naar het rampgebied op de Filippijnen. Afzender: het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties. Voedzaam en lang houdbaar. Voor de slachtoffers die in getroffen gebieden zonder eten zitten.

De 40 ton biscuit is maar één schakeltje in de hulpketen die op gang is gekomen sinds de verwoestende tyfoon zaterdag over de Filippijnen trok. Iedereen wil wat doen: overheden maken geld vrij, hulporganisaties sturen mensen en spullen en burgers overal te wereld worden opgeroepen geld te doneren.

Goede bedoelingen genoeg. Maar een ramp is chaos. De moeilijkheid is dus die bedoelingen ook snel om te zetten in actie. Hoe doen hulporganisaties dat? Een rampenplan in vijf stappen.

Hoe zijn ze voorbereid?

Een ramp komt altijd onverwacht, maar hulporganisaties zijn wel in zekere mate voorbereid. De Verenigde Naties (VN) hebben een speciale rampenafdeling: het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA), met kantoren in dertig landen. Ook één in de Filippijnse hoofdstad Manila – hulp was dus al in het land aanwezig. Dit kantoor stuurt verschillende organisaties aan, zoals Unicef en het Wereldvoedselprogramma. De extra mensen die nodig zijn worden zo snel mogelijk van over de hele wereld ingevlogen.

Sommige hulporganisaties werken onafhankelijk, zonder aansturing van de OCHA. Artsen Zonder Grenzen bijvoorbeeld. Daar besluit het bestuur per ramp of het hulp stuurt. Als besloten wordt te gaan, zoals nu, bedenkt een groep experts in Amsterdam wie en wat er precies naar het rampgebied moet.

Wat doen ze als eerste?

Een vast draaiboek, toepasbaar op alle rampen, is er niet, vertelt een woordvoerder van de OCHA vanuit Manila. Wel is het duidelijk wat de eerste prioriteiten zijn: allereerst moeten er „levensreddende spullen” naar het rampgebied. Water en voedsel, wordt daaronder verstaan. Die biscuitjes dus, bijvoorbeeld. Om zoveel mogelijk slachtoffers in getroffen gebieden in leven te houden. Tegelijkertijd stuurt de OCHA mensen naar het rampgebied die bekijken wat er verder waar nodig is – tenten en dekens bijvoorbeeld, maar ook traumaverwerkingsteams.

Hoe doen ze dat?

Het rampgebied bereiken is op zich al lastig: wegen, treinrails en vliegvelden zijn vaak onbegaanbaar. Hulporganisaties moeten dus eerst toegang zien te vinden. Die toegang is er nu op de Filippijnen: er kunnen vliegtuigen landen op het vliegveld van Tacloban, een grote stad in het getroffen gebied. Daarmee zijn nog lang niet alle plekken bereikbaar, maar het is een begin.

Als de spullen eenmaal op locatie zijn, moet er ook plek zijn om ze te bewaren. Nog niet eenvoudig op een plek waar een tyfoon heeft geraasd. Hulporganisaties bellen met lokale autoriteiten om uit te vinden of er een geschikt gebouw is dat nog overeind staat – anders vliegen ze tenten in.

Wie wat doet, is ook niet altijd duidelijk. Contact houden met hulpverleners in het rampgebied is moeilijk: verbindingen op de Filippijnen liggen plat. Hulpverleners hebben satelliettelefoons, maar ook die werken niet optimaal. Daarom weten ook de hulporganisaties in Manila niet precies waar hun hulpverleners zijn en of ze kunnen doen waar ze voor kwamen: helpen.

Wie worden er geholpen?

Dat is behoorlijk willekeurig – een kwestie van locatie. De getroffenen in de best bereikbare gebieden hebben de grootste kans op hulp. Dat zijn de plekken waar hulporganisaties zich vestigen. Als een olievlek verspreidt de hulp zich dan langzaam over het gebied. De slecht bereikbare gebieden komen als laatst.

„Dat is erg”, zegt Frido Herinckx, hoofd internationale noodhulp bij het Nederlandse Rode Kruis. „Want we weten dat het zeer slecht bereikbare oosten van het eiland zwaar getroffen is. Met fietsen, brommertjes, boten, of via de lucht, gaan we proberen ook daar mensen snel te helpen.”

Maar ook op de plekken waar wél hulpgoederen aankomen, is het vaak alsnog te weinig. En het principe van eerlijk delen is niet bepaald een overlevingsinstinct. „We kunnen niks onbewaakt achterlaten”, zegt een Unicef-woordvoerder vanuit Manila. „Wij proberen het een beetje te verdelen.” Helemaal eerlijk lukt dat niet.

Hoe lang blijven ze?

Dat kunnen hulporganisaties nog niet zeggen – ze zijn er net. Het is in ieder geval minimaal een kwestie van maanden, zegt een woordvoerder van de OCHA.

Nu, zo kort na de ramp, is de hulp er dus vooral op gericht zoveel mogelijk mensen in leven te houden, door de toevoer van eten, water en onderdak. Maar als dat veilig is gesteld, zijn de hulporganisaties nog niet klaar. Dan begint de wederopbouw. Die wordt in principe gedragen door de inwoners zelf, zegt Frido Herinckx van het Nederlandse Rode Kruis. „Maar het Rode Kruis geeft ze zeil, hamers en spijkers. De mensen zelf gaan dan op zoek naar stukken hout om mee te bouwen.” De to do-list is eindeloos: huizen moeten opgebouwd, verwoeste landbouwgronden moeten hersteld, scholen moeten open. Een proces van jaren, zo valt te verwachten.