Terug naar het verwoeste eiland

Bewoners die terugkeren op Leyte treffen ravage aan en verkeren in onzekerheid over familie

Als de veerboot na vijf uur varen in de regen de haven van Ormoc op het Filippijnse eiland Leyte binnenloopt, leunen alle passagiers over de reling. Kijk daar, van de kerk staat alleen nog de witte toren. Kijk, die daken! Helemaal weggeslagen. En daar de bomen. Gestript van alle bladeren en schots en scheef in de grond. Het zijn de eerste indrukken van de verwoesting die de terugkerende bewoners van Leyte aantreffen.

Op de Lite Ferry 11 van Cebu naar Ormoc zitten zo’n honderd Filippino’s die drie dagen na de tyfoon Haiyan huiswaarts keren. Ze hebben gemazzeld, beseffen ze. Zij waren, door stom toeval, niet op Leyte toen de verwoestende tyfoon, die duizenden slachtoffers heeft geëist, aan land kwam. Nu willen ze terug om te zien wat er over is van hun huis en wie van hun familie nog leeft. Met het geld dat ze bijeen konden schrapen, hebben ze zoveel mogelijk proviand gekocht. Als er nabij de kust af en toe mobiel bereik is, proberen ze met telefoon in de ene hand en bidkraaltjes in de andere hun familie te bereiken.

„Ik ben bang”, zegt Elvie Espanje, die met twee zussen op een houten bankje op Deck B zit. Ze waren bij vrienden in Cebu, een stad aan de rand van het rampgebied. „Wij hebben geen contact met onze familie kunnen krijgen. We weten helemaal niks. In Ormoc bezit onze familie een kleine supermarkt. Die winkel is ons kapitaal maar ik weet niet of er nog iets van overeind staat.” De drie hebben rijst, meel en conserven in blik meegenomen. Veel is het niet, maar hun familie zal er blij mee zijn. Als je dagen niet gegeten hebt, ben je zelfs met kleine beetjes tevreden, redeneert ze. In het ruim, onder de stoelen, op de bankbedden: overal aan boord van Lite Ferry 11 liggen zakken uien, dozen gecondenseerde melk, meel, bakpoeder, dozen sinaasappelsapconcentraat, lasmateriaal, waspoeder, wikkels elektriciteitskabels, rijst, generatoren en zakken suiker.

Zij zijn niet de enigen die Leyte proberen te bereiken. Op het vliegveld van Cebu zat gisteren Janice Cobacha (25) te beven op een plastic stoel voor de vertrekhal. Ze wil, nee moet, naar de verwoeste stad Tacloban. „Mijn vader leeft nog, maar meer weet ik ook niet. Ik wil mijn familie in Tacloban helpen want het is er gevaarlijk. Iedereen steelt van elkaar om in leven te blijven. En er zijn gevangenen ontsnapt”, zegt ze, in het Amerikaanse accent dat ze geleerd heeft in het callcenter waar ze werkt. In een beduimeld schrift heeft ze telefoonnummers gekrabbeld van mensen die haar misschien kunnen helpen. Ze wacht al drie dagen op een plek in een vliegtuig. „Ik heb een neef in Florida die bij de Amerikaanse marine zit. Kunt u schrijven dat ik op zoek ben naar kapitein Sherwin Claros Separa? Als hij dat hoort, zal hij mij komen helpen.”

Dexter Julio (23) rent van balie naar balie op zoek naar vliegtickets. Hij was in Tacloban toen het water rees. „Eerst trok de zee weg, alsof het eb was. En toen kwamen enorme golven die zo hoog waren als huizen. Het water steeg binnen een minuut met drie meter. De golven waren ook snel weer weg. Misschien heeft het in totaal niet langer dan dertig minuten geduurd.” Bewoners waren voorbereid op harde tyfoonwinden en hadden zich diep weggestopt. Toen hun huizen onderliepen, zaten ze vast. „Wij leven nog omdat wij in een huis van drie verdiepingen woonden”, zegt Julio. Volgens het stadsbestuur kan het dodental in Tacloban oplopen tot boven 10.000.

Julio en zijn familie moesten kiezen. Vluchten, en de paar kostbare spullen die ze nog bezaten achterlaten in de wetenschap dat hun huis geplunderd zou worden? Of blijven, en hun overgebleven familiebezit verdedigen? „Uiteindelijk moesten we vluchten. Het was te gevaarlijk in Tacloban. Er wordt geschoten. Mensen zijn wanhopig op zoek naar eten en drinken.”

Bij aankomst in Ormoc blijkt de verwoesting groot. Overal ligt modder, elektriciteitskabels hangen los. Bij kaarslicht verkopen bewoners flesjes water, Nescafé en instant noedels. Hier zijn lang niet zoveel mensen gedood als in Tacloban, maar bijna alle huizen zijn beschadigd.