Column

Meelijwekkend

Zondag ging ik voor het eerst sinds jaren weer eens naar de kerk. Er bleek veel te zijn veranderd. Ik was in de Amsterdamse Singelkerk, waar Diederik Stapel, voormalig hoogleraar sociale psychologie, zijn veelbesproken ‘Preek van de loser’ gaf. Het was zijn eerste publieke optreden sinds ongeveer twee jaar.

Wat stom, dacht ik vooraf, dat juist een kerk een podium biedt aan pseudowetenschap (hoewel dat op zich in een lange traditie past).

Ik was te laat, door familieomstandigheden, en kwam voor een dichte kerkdeur te staan, samen met een ANP-fotograaf die een foto moest maken van Stapel op de kansel. Toen we eindelijk naar binnen konden, een kerk bomvol jonge mensen, was de preek al voorbij. Stapel zat in de kerkbank.

De dienst ging nog even door, met gebruikelijke liturgische elementen, samenzang, collecte, brood en wijn, en met schrijver Anton Dautzenberg die de zegen uitsprak, maar zonder god – je hoort soms dat atheïsten op gelovigen lijken, maar intussen lijken gelovigen ook steeds meer op atheïsten.

Ik vroeg de jonge vrouw naast me wat ze van de preek had gevonden. Ze zei dat ze hoofdzakelijk „medelijden” had gevoeld met de hoogleraar. Dat was ook wel de opzet. ‘Geef Diederik Stapel een tweede kans’, schreven de organisatoren van de preek, Karel Smouter en Suzan Doodeman, vorige week in nrc.next. Ze vonden dat Stapel een leerstoel aan een universiteit moest krijgen, zodat we konden leren van zijn fouten en hem niet zouden doodzwijgen.

Ik weet niet of Stapel is doodgezwegen. Na de ontdekking van zijn fraude mocht hij van de NOS een lange verklaring voorlezen, zonder wedervragen. Hij publiceerde een boek. Hij gaf interviews. Hij werkt aan een theatertour. En nu dus die preek.

En een tweede kans is nog iets anders dan een leerstoel. Zo’n leerstoel zou ik eerder gunnen aan een van de gedupeerde wetenschappers; voor wie van Stapel wil leren, zijn er dan de frauderapporten.

En dan nog. In de kerk was het vroeger gebruikelijk dat je recht had op vergeving, maar wel na publiekelijk berouw. Dat laatste is nu niet meer nodig. In zijn preek, die ik later teruglas, omschreef Stapel zichzelf als „Iemand die vanwege zijn geblunder uit de prestatiemaatschappij is gekieperd”. ‘Geblunder’ klinkt als ‘oeps’. En ‘uit de prestatiemaatschappij gekieperd’ klinkt als ‘slachtoffer’, in elk geval niet als sorry sorry sorry.

Mijn vader zou zeggen: ‘Heb je het gedaan, krijg je nog de schuld ook’.

Na de dienst sprak ik schrijver Anton Dautzenberg. Hij vertelde dat de theatertour die hij met Stapel wilde doen lastig werd, omdat theaterdirecteuren om „morele redenen” de show niet willen boeken. Stapel zelf sprak ik niet. Hij gaf een interview, zei Dautzenberg, die me wel voorstelde aan Stapels vrouw. Ook zijn twee dochters waren aanwezig.

En de volgende dag kreeg ik een beleefd mailtje van de ex-professor zelf. Jammer dat ik je niet meer kon spreken, schreef hij, hij las m’n columns altijd, maar nu niet meer, „we hebben alle kranten de deur uit moeten doen”.

Geen krant meer! Toen werd ik alsnog door medelijden overvallen.