Column

Marcel Sint Maarten

Een mij onbekende vrouw op een fiets met twee kinderzitjes riep mijn naam. „Marcel! Joehoe, Marcel!” Ik er naar toe. Ik was toch Marcel? Ja, ik was Marcel.

Nou dat was dus leuk, dat ik Marcel was. Ze las altijd mijn stukjes – hahaha –, zag me nu toevallig lopen en dacht: laat ik hem eens roepen! En ik kwam nog ook!

Er volgde een stroom complimenten waarin ik mezelf niet herkende. Ze las dan wel mijn stukjes, maar dan toch niet heel goed. Ik had een hart van goud. Zo lief dat ik zoveel met mijn bejaarde moeder deed!

Ik stond daar maar wat te staan en liet het over me heen komen. „Leuk. Dank u wel, heel leuk.”

Dat ik mijn moeder helemaal niet zo veel zie en dat ik een gehandicapte broer heb die ik vrijwel nooit bezoek, vergat ik even. In plaats daarvan gooide ik een extra schep kolen op het vuur. Ik vond naastenliefde heel belangrijk, het was een kleine moeite om goed te doen.

Hup, nog een compliment! ‘Ruwe bolster, blanke pit’ of iets in die trant. Ik bedankte nogmaals en wilde weglopen, maar ze stopte me met twee handen.

Na het zoet kwam het zuur.

Over haar schouder hing een leren tas vol stencils. Roze vellen papieren waarop een opgestoken duim en de tekst ‘Sint Maarten, ja ik doe mee!’ stond.

Ze ging van deur tot deur om te vragen of de mensen dit op de dag van Sint Maarten naast de voordeur wilden hangen, zodat ‘de vernedering van vorig jaar’ haar en de lieve kinderen van de buurtschool dit keer bespaard bleef.

„Overal kan het, een feestelijke optocht met lichtjes, maar in deze buurt komt het maar niet van de grond. De mensen hebben niets in huis.”

Ze overhandigde me een stencil.

Of ik dat wilde ophangen, want ik deed toch wel mee?

Ik pakte het papier aan.

Met de woorden „tot maandag!” nam ze afscheid.

Gisteren was het Sint Maarten.

Ik had dat roze stencil natuurlijk niet opgehangen, en ik had ook geen snoep in huis. Ik had haar en haar Sint Maarten-actie vakkundig verdrongen. Ik stond buiten het slot van mijn fiets open te maken. Ineens stond ze achter me met een sliertje kinderen met lampions. Het maakte geen feestelijke indruk, die kinderen zongen niet eens. In de hele Govert Flinckstraat had niemand haar poster opgehangen en dat terwijl ze handenvol toezeggingen had gehad, ook van mij.

„Vergeten”, zei ik.

Ze keek me aan met de blik van een gewond dier, alsof ik haar een verklaring schuldig was. Ze sloften verder. Richting Hemonystraat, waar de huizen groter en de mensen guller waren.