Hoe de koe uit de wei van Jorwerd zal verdwijnen

Door afschaffing van melkquota wordt de koe als een varken geïndustrialiseerd, vrezen Herman Wijffels en Geert Mak.

De Eerste Kamer stemt binnenkort over de Meststoffenwet. De melkveehouderij zou hier een bijzondere plek in moeten nemen: anders dan de varkens- en pluimveehouderij is zij nog grotendeels verbonden met de grond. Melkveehouderijen halen namelijk het meeste ruwvoer (gras en maïs) van hun eigen bedrijf en brengen daar ook de meeste mest naar toe. Daardoor is de kringloop dier-mest-bodem-voer nog redelijk intact en lokaal. De meeste koeien lopen nog in de wei. Dat is karakteristiek voor het Nederlandse landschap en gunstig voor de gezondheid van de dieren. Uit enquêtes blijkt dat Nederlandse burgers de koe in de wei hogelijk waarderen. De weidende koe levert een zichtbare verbinding van de melkveehouderij met zowel de natuur als de samenleving. Dat schept het vertrouwen dat de varkenshouderij node mist.

De EU heeft in 1984 een quotering van de melkproductie ingevoerd om overproductie van melk aan banden te leggen. Inmiddels zijn melkplas en boterbergen verleden tijd. Daarom wordt de quotering per 1 april 2015 afgeschaft en dan mogen melkveehouders weer zo veel melk produceren als ze willen, zij het binnen de regels van milieu en ruimtelijke ordening. Dat brengt tenminste vier risico’s met zich mee.

Allereerst: met meer koeien komt er meer mest en ammoniak en dat geeft extra druk op het milieu. Ten tweede: door intensivering moeten melkveebedrijven steeds meer voer aankopen en steeds meer mest afvoeren. De kringloop raakt uit zicht en de melkveehouderij gaat steeds meer op de varkenshouderij lijken. Ten derde: meer veehouders zullen – door onvoldoende grasland rond het bedrijf – hun koeien op stal gaan houden. Dat maakt het landschap minder levendig en kleurrijk. Ten vierde: vergeleken met het grondgebonden gezinsbedrijf zijn grote bedrijven met weinig grond kwetsbaarder voor de grilliger wordende prijzen van melk, veevoer, mest en kapitaal. Groei kan daardoor ten koste gaan van milieu, koeien, landschap en het maatschappelijk draagvlak van de melkveehouderij.

De overheid heeft tot dusver alleen oog voor het mestprobleem. De Meststoffenwet gaat bepalen hoeveel groeiruimte melkveehouders krijgen als de Europese melkquotering verdwijnt. Staatssecretaris Dijksma heeft met de sector afgesproken dat de melkveehouderij mag uitbreiden als de extra mest die daarmee wordt geproduceerd, wordt verwerkt of geëxporteerd. Nu het er niet naar uit ziet dat de sector dat voldoende waar kan maken, dreigt Dijksma met invoering van „dierrechten”. De veehouder mag dan pas meer koeien houden als hij rechten opkoopt van een veehouder die gaat krimpen of stoppen. Dat helpt inderdaad om de mest- en ammoniakproductie te beheersen, maar zal de intensivering eerder versnellen dan vertragen. Dat betekent minder lokale kringlopen, minder koeien in de wei en meer bedrijfsrisico’s.

Een passende manier om te regelen dat de sector grondgebonden blijft, is het vaststellen van een maximum hoeveelheid melk per hectare. Dat kan worden afgeleid van de milieunormen voor mestgebruik. Extensieve bedrijven mogen dan uitbreiden tot de norm, intensieve bedrijven moeten pas op de plaats maken. Daarmee kunnen veehouders en de zuivelindustrie inspelen op groeikansen, zonder de weidegang in gevaar te brengen. Volgens het Centrum voor Landbouw en Milieu kan een grondgebonden melkveehouderij met 10 procent groeien.

De melkveehouderij staat op een tweesprong: grondgebonden blijven of industrialiseren? Grondgebondenheid heeft grote voordelen. Zo’n veehouderij is stevig en transparant, draagt sterk bij aan de economie, levert een aantrekkelijk landschap en is gunstig voor de koeien. Dat zorgt voor maatschappelijk draagvlak. Maar kiezen voor zo’n melkveehouderij vergt leiderschap bij overheid, landbouworganisaties en zuivelindustrie. Zij moeten niet toestaan dat een kleine groep veehouders het industriële pad inslaat en daarmee het imago en het draagvlak van de hele sector in gevaar brengt.

Herman Wijffels is hoogleraar duurzaamheid (Universiteit Utrecht). Jan Cees Vogelaar is melkveehouder. Geert Mak is schrijver. Joris Lohman is directeur van de Youth Food Movement. Wouter van der Weijden is directeur van de Stichting Centrum voor Landbouw en Milieu.