Gemeente is zeggenschap over kabeltarief kwijt

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: tarief van kabeltelevisie en vrije advocatenkeuze in rechtsbijstandsverzekering.

De gemeente Hilversum dacht in 1996 bij de verkoop van haar kabelnetbedrijf aan kabelaar UPC goede zaken te hebben gedaan door in de verkoopovereenkomst vast te leggen dat het maandtarief voor het basispakket elk jaar slechts onder bepaalde voorwaarden mocht worden verhoogd. Jarenlang ging dat goed, maar toen UPC in 2003 het tarief verhoogde van 10,28 naar 13,32 euro per maand werd het Hilversum te gortig.

Contractbreuk, vond de gemeente, en zij werd tot en met de Hoge Raad in gelijk gesteld. Maar zij hadden allemaal buiten de opkomst van nieuwe marktmeesters in Europa gerekend. De Nederlandse toezichthouder – destijds Opta, nu ACM – heeft in 2005 nog wel overwogen aan UPC beperkingen op te leggen bij de berekening van haar tarieven. Maar daar stak de Europese Commissie in 2006, tegen de achtergrond van verdere liberalisering van de telecomsector, een stokje voor. Daarop stapte UPC opnieuw naar de rechter. Nieuwe inzet: het ‘tariefbeperkende beding’ uit 1996 is in strijd met de nieuwe Europese regels.

In eerste aanleg verwierp de rechtbank Amsterdam de eis van UPC. In hoger beroep schoof het gerechtshof de kwestie door naar het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat besliste vorige week dat het tariefbeding van Hilversum nietig is. De gemeente is niet bevoegd in te grijpen in tarieven van diensten die onder toezicht van de Opta (nu CMA) zijn komen te vallen, aldus het Hof. En aangezien Hilversum gebonden is aan „het beginsel van loyale samenwerking” bij de naleving van Europese regels, kan zij zich niet meer beroepen op het tariefbeding uit 1996.