‘Cokehandel stoppen is een illusie’

Officier van justitie Jirko Patist leidt de strijd tegen drugshandel. Ook daar groeit de rol van internet. ‘Keurige technici en cocaïnebaronnen hebben elkaar gevonden.’

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Verslaggever

Vanuit zijn werkkamer kijkt officier van justitie Jirko Patist uit over de Nieuwe Maas. Over dit water vindt cocaïne dagelijks z’n weg in de havens van Rotterdam. Verstopt tussen de ladingen van zeecontainers, zoals in januari 2010, toen ruim duizend kilo drugs werd gevonden tussen dozen met whisky.

Volgende maand voert Patist de rechtszaak tegen de verdachten van onder meer dit cocaïnetransport, een drugsbende onder leiding van de Surinamer Piet W. Een proces met de ingrediënten van een gangsterroman: drugshandelaren die hun geld besteden in skyboxen bij FC Barcelona en rechercheurs die overal microfoons plaatsen, tot in de gevangenis aan toe.

Enkele media hebben al details gemeld van de afgetapte gesprekken. En hoe ingetogen Patist ook spreekt, zijn ergernis daarover kan hij niet verbergen. „Ik heb verhalen gelezen waarbij de journalist ontegenzeggelijk inzage heeft gehad in het dossier. Onbegrijpelijk. Het schaadt iedereen, ook de verdachten. Zij staan er nu lelijk op.” Wil hij nog weten wie er heeft gelekt? „Ja, ik doe er wel moeite voor daar achter te komen.”

Patist (41) leidt bij het landelijk parket de bestrijding van drugscriminaliteit, waarbij hij de politie aanstuurt. Sommigen vergelijken hem met Koos Plooij, de officier die onder meer strafzaken voerde tegen verdachten van liquidaties in het Amsterdamse criminele milieu. Mediagevoelige processen – en niet zonder gevaar. Plooij kreeg ooit permanente bewaking na dreiging van huurmoordenaars.

Patist was bereid tot een gesprek met de krant op voorwaarde dat hij niet over zijn privéleven hoefde te praten. Want het vak van crimefighter mag dan „een spannend jongensboek” zijn, „deze boeven zijn echt”.

U bent terughoudend met mediaverzoeken, veel strafrechtadvocaten zijn dat juist niet. Wat vindt u daarvan?

„Zorgelijk. Advocaten zijn niet gebonden aan de waarheid en dienen de belangen van hun cliënt te behartigen. Sommigen proberen vóór de zitting in de media een plaatje maken. Dat is niet altijd in het belang van de cliënt. Met je neus op tv betekent aandacht voor je kantoor. Het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep is heel laag. Advocaten weten precies welke collega het niet nauw neemt met het aannemen van geld en wie klanten van een ander inpikt. Maar zelden leidt dat tot een klacht. Zo wordt een mooi beroep besmeurd.”

Ziet u dat terug in de rechtszaal?

„Ik zie een verharding in de opstelling van strafrechtadvocaten tegenover officieren. Te vaak wordt in een juridisch dispuut in het openbaar op de man gespeeld. Dan hoor ik: ‘Déze officier doet zus en zo.’ Dat is een ontwikkeling die in Amsterdam lijkt te zijn ontstaan. Ook van rechters hoor ik dat Amsterdamse advocaten met meer arrogantie op zitting komen, een beetje met een vechtersmentaliteit.”

Welke invloed heeft publieke belangstelling op uw vak?

„Het dwingt ons nog helderder te zijn. Dat is een positieve ontwikkeling. Kijk naar arresten van de Hoge Raad uit de jaren 90: de eerste zin eindigt op pagina 18 – voor de gewone burger geen touw aan vast te knopen. Nu zijn ze veel leesbaarder. Ook de requisitoiren zijn steeds minder juridisch van aard. Zo snapt de publieke tribune beter waarom het zo erg is wat iemand heeft gedaan en wat de straf inhoudt.”

Hoe verandert de bestrijding van drugscriminaliteit?

„We worden ons er steeds meer van bewust dat alleen strafrechtelijke vervolging van criminelen niet het maximale effect sorteert. De cocaïnehandel stoppen is een illusie, maar we kunnen het hier zo onaantrekkelijk mogelijk maken. Je raakt drugscriminelen door een belangrijke transporteur weg te nemen, door te zorgen dat ze geen vergunningen krijgen, door ze geld en onroerend goed af te pakken. Zo kan geen netwerk uitgroeien tot grote maffiaorganisatie. De overheid, zoals gemeenten, en Belastingdienst zijn daarin heel belangrijk, met onder meer het koppelen en delen van databases. We zijn als OM te lang terughoudend geweest met het verstrekken van informatie en moeten als officieren meer buiten ons eigen terrein denken.”

Wat zijn de laatste ontwikkelingen in drugscriminaliteit?

„Technologie is heel belangrijk geworden. Uit recent onderzoek blijkt dat criminelen met hightechmiddelen terminals hacken om containers met drugs te stelen van het haventerrein. Daar zie je dat keurige, ontwikkelde technici en cocaïnebaronnen elkaar hebben gevonden. Zoals het ook moeilijk is cocaïne in te voeren zonder corrupt contact bij de douane. De aanpak van dit soort inmenging van de normale wereld heeft de hoogste prioriteit.”

Hoe staat u tegenover het hernieuwde idee van criminele burgerinfiltranten?

„We krijgen juridisch weer mogelijkheden burgers te laten infiltreren in criminele netwerken. Daar is een taboe op gekomen na de IRT-affaire [waarbij de politie met hulp van burgers drugs importeerde in de hoop te infiltreren in criminele bendes]. Maar zo ver zal het nooit meer komen. Met het juiste toezicht is hulp van burgers heel wenselijk. Ook private instanties als Schiphol kunnen helpen bij opsporing en bestrijding van internationale drugshandel. Ik denk dat die zich niet altijd bewust zijn van de mogelijkheden. Het OM heeft de taak daarop te wijzen.”

Heeft de crisis invloed op uw werk?

„Ja, de bezuinigingen bij het OM leggen ongelofelijke druk op de kwaliteit. Ik kan me voorstellen dat ik in de toekomst ‘nee’ moet zeggen tegen een heel aantrekkelijke onderzoekskans. Nu al kunnen we minder tijd steken in de voorbereiding van strafzaken. Met een 7 kan ik wel naar zitting, maar met een 5,5 eigenlijk niet meer.”

Vindt u dat u voldoende middelen heeft om drugshandel te bestrijden?

„Ja, al wil je altijd wat meer of wat anders. De rol van internet groeit enorm in de criminaliteit, daarin worden we wel belemmerd door de wet. Ik vind dat we de grenzen moeten opzoeken, zolang we alles op zitting kunnen verantwoorden. Een voorbeeld: boeven communiceren via Hotmail over een code van een drugscontainer. Willen we dat zien, dan kunnen we inloggen op het account van de verdachte. Maar dat staat op een server in de VS – dat mag niet. Ik schend dan liever in het klein de Amerikaanse soevereiniteit, dan het Nederlandse doorlaatverbod op drugs, al leidt dat soms tot strafkorting.”

Zou u een juridisch middel uit het buitenland willen overnemen?

„Het Angelsaksische rechtssysteem kent plea bargaining, waarbij het OM een deal sluit met de verdachte: zijn complete verhaal in ruil voor strafverkorting. Als in Nederland een cocaïnehandelaar schoon schip wil maken, kan ik hem niets bieden. Dat nodigt niet echt uit. Elementen van plea bargaining zouden de efficiëntie van de rechtspraak echt ten goede komen.”