Sorry! O, heerlijk, zeg dat nog eens!

inds wanneer gebruiken we bij spijtbetuigingen eigenlijk het Engelse woord sorry? Die vraag is mij sinds de diplomatieke ruzie tussen Nederland en Rusland verschillende keren gesteld.

Sommige lezers meenden: sinds de Bevrijding. Zonder twijfel heeft de Bevrijding geleid tot een grotere populariteit en verbreiding van het Engels – daarvóór waren Frans en Duits hier de bekendste vreemde talen. Maar sorry maakte de oversteek van Engeland naar Nederland al eerder.

Voor de vroegste sporen van het woord sorry in het Nederlands moeten we terug naar 1681. Toen gaf William Sewell An English and Low-Dutch Dictionary uit. Sewell had een Britse vader maar was geboren en getogen in Amsterdam. „I’m Sorry for it” vertaalde hij met: „Ik ben er moeijelyk om, het moeit my, ’t spyt my.”

In de eeuwen erna vinden we (I am) sorry in ons taalgebied vrijwel uitsluitend in woordenboeken, met vertalingen als „het doet mij leed, het smert mij, het berouwt mij” en zo verder.

Daarnaast vinden we sorry af en toe in briefwisselingen, bijvoorbeeld tussen Jacob van Lennep en de onder meer vanwege schulden naar Engeland uitgeweken Gerrit van de Linde, beter bekend als De Schoolmeester. Ook in oude dagbladen duikt het af en toe op, maar altijd in Engelse context.

Vanaf het eind van de 19de eeuw verschijnen er steeds vaker reisverhalen in kranten en tijdschriften. Bij sfeertekeningen hoort kenmerkend taalgebruik, en over de Britten lezen we bij herhaling dat ze doorlopend sorry zeggen. Wat dit precies betekende was overigens niet altijd even duidelijk. Zo schreef Marcellus Emants in 1892: „De Engelse zei, dat zij very sorry was; maar haar medelijdende toon klonk toch vrij vergenoegd. Misschien was zij blij iets te vernemen, waarover zij met anderen zou kunnen keuvelen.”

„Ik wou”, schreef de Londense correspondent van De Telegraaf in 1920, „dat de Engelschman niet altijd ‘Sorry’ riep! Hij roept Sorry als hij opstaat, Sorry als hij eet, en Sorry als hij naar bed gaat. Maar hij roept het meest Sorry als hij vervelend is.”

Vanaf 1926 vinden we sorry af en toe in teksten die alleen over Nederland of Nederlands-Indië gaan. „I’m sorry” zou Nederlanders in Batavia in de mond bestorven liggen, klaagde een Rotterdamse krant in 1927.

Dat sorry indertijd in Nederland nog niet algemeen bekend was, blijkt uit Het Vaderland van 1927. In het feuilleton ‘De lotgevallen van een journaliste’ beschrijft een journaliste dat zij bij het verlaten van de trein haar jonge reisgenote, Elly, per ongeluk „op de teentjes” trapt. De journaliste: „Sorry!” Elly: „O, heerlijk, zeg dat nog eens!” De journaliste: „Sorry... Ken je Engelsch? Je bent toch op kantoor geweest?” Waarop Elly: „Ja, ik ken het wel een beetje. I’m sorry.”

Volgens de Gooi- en Eemlander was sorry in 1929 een rage onder jonge Bussumse sporters en in 1933 klaagde iemand in het tijdschrift Onze Taal dat sorry „zeer geliefd bij jeugdige sportieven” was. Wellicht heeft de Nederlandse jeugd dus het voortouw genomen, maar hoe dan ook zeggen we hier sorry sinds het eind van de jaren twintig van de 20ste eeuw.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.