Column

Hubertusmis

In de Martinuskerk in Megchelen, een dorp van zo’n 1.000 inwoners ver in de Achterhoek, leken sommige honden bijna zo oud als de gewoonten van hun bazen. Een man met een druipsnor hield een teder kijkende terriër in de armen. Bij het ‘Kyrie en Gloria’ keek de terriër trouw omhoog, waarbij hun neuzen elkaar even raakten.

De Hubertusmis, gisteren, voor de patroonheilige van de jacht. Jagers in groene jassen en Muckmaster-laarzen liefkoosden jachthonden in het gangpad. De jachthoornblaasgroep speelde het ‘Weidmannsheil’, en ‘Das grosse Halali’, en dan blaften de honden er nerveus doorheen. Na twee uur mochten zij buiten, waar de wijwaterkwast wachtte, de resten van het gezegende brood opeten.

Het altaar was versierd met kolossale geweien en een gruwelijk-mooi tableau – niet voor stadsharten. De plaatselijke wildvereniging had de schattigste dieren van de afdeling taxidermie meegenomen: piepjonge everzwijntjes; verbaasde kijkende steenmartertjes; guitige vosjes (door jagers hier ‘ongedierte’ genoemd). En een hertenkalfje. Aan pilaren hingen opgezette vogels en uilen. Alles was versierd met herfstgebladerte – kopergeel en bloedrood.

Dat de jachthonden in Megchelen nog de kerk in mogen, bleek te danken aan de vrouwelijke pastor Mia Tanking, een naam die iedereen noemde. Mia kwam altijd op blote voeten in sandalen naar de mis. Mia sprak in dialect op het altaar. En Mia nodigde vorig jaar ook de tegenstanders van Hubertusvieringen uit en heette ze gewoon welkom. Dit tot tevredenheid van alle aanwezigen. In Megchelen werd gisteren dan ook niet gedemonstreerd door de stichting ‘Rechten voor al wat leeft’, zoals een week geleden in Brabant. Maar Mia Tanking was intussen, tot verdriet van velen, overgeplaatst door het kerkbestuur. Dit kerkje moet dicht: volgend jaar is hier naar verwachting de laatste Hubertusmis.

De nieuwe diaken moet nu negen parochies bedienen. Hij deed zijn best („We kennen allemaal wel de spreuk die op een fles Jägermeister staat!”), maar viel enigszins door de mand toen hij niet op de naam van een jachthoorn kwam („Die eh, instrumenten lijken me razend moeilijk!”).

Buiten sprak ik even met Chuck van de Vlasakker, een neuroloog in schitterend tweed, vicevoorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jachtvereniging. „Jagen, zeg ik altijd, dat moet je zó doen dat iedereen mee kan kijken”, zei Chuck zoals hij dat altijd zegt.

Daarna was er hertensoep, en bier, aan de lange tafels van Jan ter Voert. Ik zat naast Heinie Engelbas, 79 jaar, gepensioneerd boer. Daarnaast zijn vriend, de gepensioneerde verkeerspolitieman Jan Schuitert (65). Jan heeft nu een uilenkast – twee jonge uiltjes erbij dit jaar, meldde hij opgetogen. En Heinie wandelt nog dagelijks het veld in voor het wildbeheer.

Ik vroeg: „Met een geweer?”

Heinie: „‘Met een geweer’. Háhá!”

Zijn soep kwam er nog net niet uit. Wildbeheer, dat dééd je de meeste tijd helemaal niet ‘met een geweer’, zei Heinie spottend. Wildbeheer, dat was „steeds even de ogen laten gaan over het evenwicht”.

Tot je een steenmarter zag, dan. Steenmarters eten eieren van beschermde vogels en kruipen onder je motorkap. Beschermd en al: een steenmarter gaat eraan. Dat wist iedereen in het dorp.