Helden

Je kon zaterdagavond goed merken dat Russell Brand, de Engelse komiek, ook de Nederlanders nieuwsgierig had gemaakt naar zijn talent. Er was veel belangstelling voor zijn show Messiah Complex in de Heineken Music Hall in Amsterdam. Ik ging er vooral heen om te zien of en hoe hij zijn antipolitieke missie in zijn programma verwerkt had.

Daarmee was hij immers de laatste tijd in het nieuws gekomen, vooral dankzij een opvallend interview met een sceptisch luisterende Jeremy Paxman van de BBC. Daarin had hij opgeroepen tot een opstand tegen het politieke establishment, dat visieloos is en meer met zichzelf bezig dan met de noden van mens en aarde. Hij vertelde dat hij daarom nog nooit zijn stem had uitgebracht. „Jeremy,” zei hij tegen Paxman, „je hele carrière heb jij politici gehekeld en terechtgewezen, maar als ik ze waardeloos noem en het zinloos vind om met ze in zee te gaan, verwijt je mij dat ik zelf niet meer arm ben.”

Paxman moest later in een interview toegeven dat hij zelf bij de laatste verkiezingen ook niet had gestemd omdat de keus zo „onsmakelijk” was geweest. De diagnose van Brand noemde hij achteraf voor een deel juist. Paxman: „De hele groenebankjes-pantomime in Westminster is een afstandelijke, zelfgenoegzame echokamer. Maar het is alles wat we hebben.”

Het leek me lastig voor Brand een soortgelijke boodschap over het voetlicht te krijgen. In het theater is moralisme al snel een ballast voor iemand die in de eerste plaats leuk wil zijn. En Brand kán ook leuk zijn.

Hij kwam er dan ook niet helemaal uit, vond ik. Hij stak een virtuoos verbaal vuurwerk af, met een intensiteit en een tempo dat een extreem hoog adrenalinegehalte verried. Zo stuiterde hij anderhalf uur lang over het toneel, gloriërend vooral in lange terzijdes vol bizarre grappen, bij voorkeur met een seksuele lading; nooit eerder hoorde ik zoveel grappen over masturbatie, penetratie en ejaculatie, geïllustreerd met de bijbehorende bewegingen. Vergeleken daarmee zijn zijn Nederlandse collega’s koorknapen.

Wat mij tegenviel was de onderliggende boodschap: die was dunner dan het engagement waarmee hij tegen de politieke elite ten strijde trok.

Hij vindt dat we in helden moeten geloven. Op het toneel had hij er vier uitgestald: Jezus Christus, Gandhi, Che Guevara en Malcom X. Dat waren zijn helden. Hij wist dat ze niet volmaakt waren, maar ze bleven toch zijn voorbeelden. Ieder mocht zijn eigen helden uitkiezen, zei hij, áls we maar helden kozen, want anders doen anderen het voor ons – en dan zijn we nog veel verder van huis.

Ik vroeg me af of ook Mark Rutte en Geert Wilders mogen worden gekozen. Het lijkt me ieders goed recht. Maar zijn we dan in Brands optiek wel zoveel opgeschoten? Ik noem deze twee Nederlandse politici, omdat hij hen - vermoedelijk op advies van Nederlandse vrienden - snel op de hak nam: Rutte vanwege zijn uiterlijk en ‘Gurt’ Wilders omdat hij een „nazi motherfucker” was.

Kortom, ik zag weinig logica in zijn verhaal. Op de terugweg moest ik denken aan enkele levensbeschouwelijke voorkeuren die Russell Brand de afgelopen jaren heeft uitgedragen: die voor de Hare Krishna-beweging en voor de transcendente meditatie. Cat Stevens en George Harrison (met aanvankelijk de andere Beatles) gingen hem voor.

Er is geen enkel bewaar tegen. Zweven mag, maar ik zie niet in waarom het zinvoller zou zijn dan stemmen.