Gehuwden: blijf zelfstandig

Niet meer van deze tijd. Dat is het belangrijkste argument van D66, PvdA en VVD om de automatische gemeenschap van goederen bij het huwelijk af te schaffen. Dat is helemaal juist. Het is ook een noodzakelijke en te lang uitgestelde stap in de emancipatie van de vrouw.

De Kamermeerderheid stelt feitelijk een nieuw basisstelsel voor. Daarin behouden de aanstaande huwelijkspartners ieder hun eigen spaargeld en blijven zij aansprakelijk voor hun eigen schulden. Ook individuele giften en erfenissen tijdens het huwelijk vallen niet meer vanzelf in de gemeenschappelijke boedel. Wie het anders wil regelen, moet naar de notaris.

Dat is dus vrijwel een omkering van het huidige stelsel, waarin een volledige gemeenschap van goederen de norm is. Wie niets regelt, belandt in de gemeenschap van goederen. Een basisstelsel dat verder alleen nog in Suriname en Zuid-Afrika voorkomt. In driekwart van de huwelijken die in Nederland tussen 2004 en 2009 werden gesloten, geldt daardoor de standaardafspraak. Uit cijfers van het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit blijkt dat wie in 2009 wél huwelijkse voorwaarden regelde, inderdaad spaargeld en schulden uitsloot. Precies dat wat een Kamermeerderheid als nieuwe wettelijke norm wil invoeren.

Het wetsvoorstel maakt van de dienstbaarheid van (meestal) de vrouw in het huwelijk een bewuste keuze in plaats van een automatisme en bevestigt zo de economische zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van beide partners. De maatschappelijke norm is dat (ook) vrouwen zelfstandig een inkomen verwerven – een gezond uitgangspunt, niet alleen bij huwelijk, maar vooral ook bij scheiding. Het nieuwe stelsel maakt het huwelijk immers financieel makkelijker tussentijds ontbindbaar. Ook dat spoort met een maatschappelijke trend: 37 procent van de huwelijken eindigt in scheiding. Een door scheiding ontbonden huwelijk duurde in Nederland inmiddels gemiddeld 14,4 jaar.

De andere huwelijken, de meerderheid, kennen een natuurlijk verloop en eindigen door de dood van een van beiden. De fiscale consequenties van het initiatiefwetsvoorstel voor deze groep zijn onduidelijk. Onder meer op dit argument sneuvelde eerder een kabinetsvoorstel uit 2003 om de wettelijke gemeenschap aan te passen. Het is niet alleen daarom de vraag of dit voorstel het Staatsblad zal halen. Bij de kleinere christelijke partijen geldt de gemeenschap van goederen als bescherming van het traditionele huwelijk. Zij roemen het huidige stelsel om de eenvoud en merken op dat het ieder is toegestaan het naar eigen voorkeur anders te regelen. Ook dat klopt. Maar dat maakt dit voorstel bepaald niet overbodig.