Despiau stelt de grote vragen van de moderne kunst

Charles Despiau, Madame Line Aman-Jean, (1924, brons, 54 × 40 × 23 cm)

Toen de directeur van Museum Beelden aan Zee naar het Centre Pompidou in Parijs belde om het idee voor een tentoonstelling over Charles Despiau te bespreken, was de reactie van de conservator daar: „Ah, Despiau, sculpteur mal-aimé!” Die uitroep werd de titel van de tentoonstelling die nu in Scheveningen te zien is. Het is het eerste overzicht van Despiaus werk in Nederland.

De Fransman Despiau (1874-1946) was in de jaren twintig en dertig een internationale beroemdheid, maar na de oorlog nam de waardering voor zijn werk af. Hij stond als fout te boek door zijn vriendschap met de nazibeeldhouwer Arno Breker, die rond 1930 zijn leerling was en met wie hij tijdens de Duitse bezetting bleef omgaan. Maar Despiau is ook, en misschien wel vooral, mal-aimé omdat zijn beelden zich niet gauw laten kennen. Je moet bij bijna ieder werk „tot vervelens toe stilstaan”, aldus Elisabeth Lebon in de catalogus, „voordat het zijn rijkdom onthult.”

Die rijkdom is er een van tegenstellingen, zeg maar gerust van tegenstrijdigheden. In zijn jonge jaren was Despiau assistent geweest bij Auguste Rodin, maar in zijn eigen werk nam hij later afstand van Rodins expressieve, barokke kunst. Despiaus figuren zijn ingetogen op het afstandelijke af. Hij werkte altijd naar model, maar individuele trekken interesseerden hem minder dan de kop als object, als sculpturale vorm.

Aan de andere kant: de gezichten mogen dan uitdrukkingsloos zijn, met lege amandelvormen als ogen, ze zijn ook scherp en gedetailleerd. Oogleden, wenkbrauwen, neuzen en monden lijken getekend in dunne lijntjes van klei. Despiau heeft duidelijk veel naar de Griekse en Etruskische beeldhouwkunst gekeken. Zijn keuze voor portretbustes en naakten heeft sowieso iets klassieks.

En toch was hij ook weer geen classicist. Hij maakte gezichten vaak te groot in verhouding tot de rest van de kop, zette ogen ver uit elkaar en platte schedels af: hij deformeerde, kortom, op een manier die men zich in de westerse kunst pas in de twintigste eeuw kon permitteren. Staande naakten hebben min of meer klassieke bovenlijven, maar naar beneden toe worden ze steeds minder klassiek, met dikke onderbenen en een soort klompvoeten. En terwijl buiken, borsten en bovenbenen meestal glad gemodelleerd zijn, doen ruggen, schouders en achterkanten van armen onaf of zelfs verminkt aan. Assia (1937) heeft veel weg van een kwaadaardige robotmens uit een sciencefictionfilm. In de vorige scène leek ze verslagen, maar nu loopt ze toch weer rond, met een half gesmolten lichaam en gezicht. Beetje uit de buurt blijven.

Naar dit oeuvre vol enerzijdsen en anderzijdsen kun je in Scheveningen zo een hele middag kijken. Je kunt er lang over denken en praten, want het roept de grote vragen van de moderne kunst op. Vragen over de verhouding tussen traditioneel en revolutionair, tussen inhoud en vorm, tussen naturalisme en stilering. Despiau was een beeldhouwersbeeldhouwer, die in de jaren twintig en dertig grote invloed uitoefende op jongere vakgenoten in heel Europa. Aan de Nederlandse ‘despioten’ is een hoekje van de tentoonstelling gewijd. Bertus Sondaar (1904-1984) maakt daar de meeste indruk. In zijn portretbustes is de persoonlijkheid van de modellen serieus genomen. Het zijn allemaal verschillende mensen, die je naderbij wilt komen. Het werk van Despiau steekt er toch wat al te sereen en seksloos bij af. Sondaar verdient een eigen tentoonstelling in Museum Beelden aan Zee. Net als zijn leermeester.