‘Authentieke’ Ton Koopman wat te gehaast in Requiem

Historisch, opzienbarend en internationaal trendsettend was in 1973 de uitvoering van Bachs Matthäus Passion bij het Residentie Orkest. Voor het eerst stond daar met Nikolaus Harnoncourt een ‘authentiek’ dirigent voor een op modern instrumentarium spelend symfonieorkest. Nu, veertig jaar later, leidde de ‘authentieke’ Ton Koopman in Den Haag twee verlate Allerzielen-concerten. Hij bewijst het blijvende succes van dit soort musiceren met ook optredens bij de grote orkesten in de VS. Het prachtige programma bracht zeven composities over leven, dood en eeuwig leven met als sluitstuk het Requiem van Mozart met het goed zingende koor Laurens Collegium. De vier respectabel zingende solisten – sopraan Yetzebel Arias Fernades, alt Wiebke Lehmkuhl, tenor Timan Lichdi en bas Klaus Mertens - zongen eerst elk een solostuk. Che puro ciel van Gluck, Davidde penitente en Exsultate, jubilate van Mozart en de Schubertliederen Erlkönig en An die Musik.

Haydns ouverture L’anima del filosofo, ossia Orfeo ed Euridice – vatte het geheel samen: klaaglijk aards gezucht, gevolgd door gelukzalige hemelse blijdschap. Opvallend waren de wat langzame tempi van de vaak nogal gehaaste Koopman, in het Requiem culminerend in een vervoerend Agnus Dei.

Kasper Jansen