‘75 procent van de strafzaken is een pro-deozaak’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Illustratie jet peters

De aanleiding

Vandaag zullen ongeveer 150 Nederlandse strafrechtadvocaten staken tegen de voorgenomen bezuinigingen van minister Teeven (Justitie, VVD) op rechtsbijstand. Teeven neemt „draconische maatregelen”, zei strafrechtadvocate Bénédicte Ficq dinsdag bij Pauw & Witteman: het tarief voor strafrechtadvocaten die voor een zaak betaald worden door de overheid, wordt verlaagd met 30 procent. Bovendien zullen de eerste 24 uren die een advocaat aan de zaak besteedt helemaal niet meer worden vergoed.

Het gaat hier om zogenoemde pro-deozaken. Beter nog kunnen we spreken van ‘toevoegingszaken’, want ‘pro Deo’ suggereert dat een advocaat de zaak gratis doet (‘voor God’), terwijl die er wel degelijk een (kleine) vergoeding voor krijgt. Verdachten van dit soort zaken hebben weinig vermogen – een maandinkomen van minder dan 900 euro – zodat de overheid dan een vergoeding voor de advocaat betaalt: een ‘toevoeging’.

Dat zou dramatische gevolgen kunnen hebben voor de strafrechtadvocaten, berekende Ficq vorige week in deze krant: „We hebben het uitgerekend, je komt voor een gemiddelde zaak uit op 40 tot 50 euro per uur bruto, dat is 25 euro netto per uur. Een kantoor kan dan niet lonend draaien op een praktijk van alleen pro-deostrafzaken.”

Maar hoe erg is dat, vroeg Paul Witteman aan Bénédicte Ficq en haar collega Peter Plasman. Kunnen advocaten dat lage bedrag niet compenseren door meer betaalde zaken aan te nemen? Daarop antwoordde Ficq dat haar praktijk „voor 75 procent uit pro-deoklanten” bestaat: de gevangenissen worden „voor het allergrootste deel bevolkt door on- en minvermogenden”.

„Dat is een getal dat zo’n beetje geldt voor bijna alle strafrechtadvocaten”, reageerde Peter Plasman. Een wat voorzichtige claim – maar het percentage van 75 procent blijft hangen en is daarom wel de moeite van het checken waard. Want als het percentage klopt, dan pleit dat voor de beweringen van Ficq en Plasman dat de bezuiniging dramatische gevolgen kan hebben voor de strafrechtadvocatuur.

Waar is het op gebaseerd?

Peter Plasman baseerde zijn bewering niet op harde cijfers. Hij ging vooral af op zijn eigen waarnemingen, licht hij telefonisch toe. Op wat hij tegenkomt in zijn eigen praktijk en bij zijn kantoorgenoten, op wat hij ziet in de rechtszaal. „Een verslaafde winkeldief is meestal niet zo vermogend, dus dan kun je wel uitgaan van een toevoegingszaak.” In veel strafzaken is er bovendien sprake van beslaglegging, vertelt hij. „Oppakken en beslagleggen op de bankrekening van de verdachte, is het credo. Een advocaat mag geen contant geld aannemen, maar een betaling via de bank is dus vaak ook niet zomaar te doen.”

En, klopt het?

Neem het jaarlijkse aantal strafzaken en zet het aantal zaken waarvoor de overheid rechtsbijstand verleent daartegen af: uit dat sommetje volgt het gezochte percentage. Die werkwijze stelt een woordvoerder van de Nederlandse Orde van Advocaten voor, want zelf houden zij dat soort cijfers niet bij. Eén van die twee cijfers kan de Raad voor Rechtsbijstand leveren, de organisatie die de rechtsbijstand regelt. In hun ‘Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2012’ – een soort jaarverslag – is het aantal strafzaken te vinden waarvoor de overheid de advocatenkosten betaalde. In 2012 waren dat er 154.464.

Hoeveel strafzaken er in totaal waren, weet de Raad voor de rechtspraak, het belangenorgaan van de rechters. Woordvoerder Annelies van Knippenbergh leidt ons door de tabellen in het Rijksjaarverslag heen: het totaalaantal strafzaken krijgen we met de optelsom van 84.430 strafzaken bij de kantonrechter plus 191.750 zaken bij de rechtbank plus 38.500 hoger-beroepzaken. Samen 314.680.

Dan zou je op een percentage van 49 procent pro-deozaken uitkomen. Maar helaas: die getallen kunnen we niet zomaar tegen elkaar afzetten, zegt woordvoerder Anja van Baarsen van de Raad voor Rechtsbijstand. Ze vermoedt dat de tellingen van de rechtsbijstandverleners en de rechters uiteenlopen: de ene raad rekent waarschijnlijk net wat andere zaken tot strafzaken dan de andere raad. Ten tweede: deze berekening gaat ervan uit dat er in alle strafzaken een advocaat betaald moet worden. Dat is niet het geval: er zijn ook (kleine) zaken waarin de verdachte zelf zijn verdediging doet, dus dan zijn er geen advocatenkosten en geen rechtsbijstand. Om hoeveel zaken gaat dat? Dat houdt niemand bij, maar het zou wel gaan om zo’n aantal dat de berekening onzuiver wordt.

Van Knippenbergh van de Raad voor de rechtspraak is het eens met die bezwaren: „Het is wel vaker ingewikkeld in justitieland.”

Conclusie

Het percentage (49 procent) dat je kunt berekenen door het aantal pro-deozaken af te zetten tegen het totaalaantal strafzaken geeft een vertekend beeld. Die cijfers worden namelijk niet door één instantie bijgehouden, waardoor er waarschijnlijk verschillen in telling bestaan. Bovendien zijn er geen cijfers over het aantal strafzaken dat zónder advocaat wordt gevoerd. Daarom beoordelen we de bewering dat 75 procent van de strafzaken een pro-deozaak is als niet te checken.