Tafeldekken Z

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal.

Deze week: een verhaal uit de bundel Wat ik van liefde weet van Ton Rozeman. Een moeder beschrijft een weekend met haar dochter, die thuiskomt na een week lang therapie.

Ze is op haar kamer nu, Babette. Misschien ligt ze naar de muziek op haar mobieltje te luisteren, misschien kijkt ze tv of ligt ze zomaar een beetje te niksen en bij te komen van de afgelopen week. Of ze neemt me dingen kwalijk, dingen van vroeger, dat hoor je wel vaker als ze in therapie gaan.

Haar eerste week op Hoogland – toen ze thuiskwam heeft ze me geen kus gegeven en niets verteld, ze heeft alleen even in de deuropening van de woonkamer gestaan met haar jas nog aan. ‘Ik ben thuis. Dan weet je dat.’ Ze bleef daar maar staan, alsof ze goedkeuring van me verwachtte – misschien wel omdat ik nou eenmaal haar moeder ben, misschien omdat ze voor het eerst in haar eentje een week van huis is geweest. Toen ging ze naar boven, naar haar kamer.

Ik zit op de bank met de krant van vanochtend. Al een tijdje staar ik naar de pagina met tv-programma’s, maar het lukt me niet me daarop te concentreren. Haar kamer is boven de woonkamer, haar bed staat zo’n beetje boven de bank waar ik op zit. Het is of haar aanwezigheid dwars door het plafond naar beneden straalt en me kriebels op mijn rug bezorgt. Ik weersta de neiging om op te staan en aan de eettafel te gaan zitten; het zou te gek voor woorden zijn als ik de bank moet ontvluchten vanwege de aanwezigheid van mijn dochter hier in huis.

Om acht uur het journaal. Daarna een documentaire over water. Dan een quiz. Of nee, ik vergis me – ik zit bij België te kijken.

Het eten, ook zoiets. Ze eet alleen gezonde dingen, alles wat ze niet gezond vindt, weigert ze. En dus staat er vandaag op het menu: Italiaanse salade met pijnboompitten, spaghetti bolognese met vegetarisch gehakt, sojavla. Ik ben bereid me aan haar aan te passen, dat ben ik haar hele leven al, ik bedoel maar.

Ik zoek de ingrediënten bij elkaar, zet ze op het aanrecht. De salade kan problemen geven, die is voorgesneden en komt uit een zakje. Ze heeft iets tegen zakjes – je kunt haar niet aan haar verstand brengen dat sla uit een zakje juist verser blijft dan sla aan een krop. En bovendien, het is biologische sla, ik zal de verpakking straks bewaren zodat ze kan zien dat ik niet zomaar wat zeg.

Als de spullen op het aanrecht staan, maak ik in mijn hoofd een lijstje van wat er allemaal moet zijn en ik kijk of ik het klaar heb gezet. Als ik zo alles ben afgegaan, loop ik naar het trapgat, wetend dat ik haar beter op haar kamer kan laten dan haar hulp te vragen bij de tafel dekken. Toch roep ik haar naam. ‘Babette’, zeg ik rustig, vriendelijk, zangerig bijna, ‘Babette, lieverd, wil je even beneden komen om je moeder te helpen?’

Ze mogen daar dan wel dingen tegen hun begeleiders vertellen en in de groep gooien, maar je hoeft ze daarom nog niet in alles te ontzien. Ze heeft geslapen, althans: ze kijkt slaperig, wat natuurlijk niet per se hoeft te betekenen dat ze daadwerkelijk in slaap is gevallen. Misschien zijn het de medicijnen, en heeft ze daarom die blik. Ik neem tenminste aan dat ze daar medicijnen krijgt. Ze kijkt me aan alsof ik een halve vreemde voor haar ben, alsof ze haar best doet zich te herinneren wie ik ben en wat ik hier in dit huis doe.

‘De tafel’, zeg ik en als extra hint trek ik de bestekla open. Daarna doe ik of ik geen aandacht aan haar besteed, of ik ervan uitga dat ze begrepen heeft wat er moet gebeuren. Ik begin het eten klaar te maken en loop meteen tegen het eerste probleem aan: het slazakje moet opengemaakt en ik geloof niet dat het verstandig is om dat te doen in haar bijzijn. Dus stel ik het uit en kijk haar weer aan. Ze staat nog steeds in de deuropening te staan en onwezenlijk voor zich uit te staren.

‘Is er iets?’, vraag ik, al kan ik beter niets vragen, want voor je het weet gaat het over problemen, en van het een komt het ander.

‘De trein’, zegt ze. ‘Ik heb weet ik hoelang op die trein gewacht. En toen-ie eindelijk kwam kon ik nergens zitten. Ik heb bijna een uur in een gangpad gestaan.’

‘Aha’, zeg ik. En ik zeg ook dat ik het vervelend voor haar vind en probeer dat met overtuiging te zeggen. En ik vraag ook of ze zin heeft om de tafel te dekken. ‘Maar het hoeft niet per se’, zeg ik erbij.‘Ik begrijp het ook heel goed als je er te moe voor bent.’

‘Nee,’ zegt ze, ‘het gaat wel. Ik zal je helpen.’ Maar ze komt niet in beweging en dus open ik toch

maar het zakje sla, onder haar toeziend oog.

‘Lekker’, zegt ze. ‘Sla.’

‘Ja’, zeg ik. ‘Sla. Lekker.’

Ze zit aan de gedekte tafel en kijkt naar hoe ik bezig ben. Ik probeer te doen of er niets aan de hand is, en feitelijk is er ook niets aan de hand – mijn dochter is weer thuis, en ik snipper een ui en doe twee eetlepels olijfolie in de hapjespan. Dan geef ik het op en ga tegenover haar aan tafel zitten.

‘Hoe was het?’, vraag ik.

‘Hoe bedoel je?’, vraagt ze.

‘Gewoon’, zeg ik. ‘Dáár. Hoe het was.’

Ze kijkt me aan of ik degene ben die vreemd aan het doen is. Dan wrijft ze haar hand over het tafellaken, alsof er plooien in zitten die glad moeten worden gestreken. ‘Niets bijzonders’, zegt ze. ‘Het is nog maar de eerste week.’ Haar blik kruist de mijne, dan tuurt ze weer naar het tafellaken.

‘Maar jullie praten daar toch wel ergens over?’, zeg ik. ‘Daarom ga je daar toch naartoe? Om te praten?’

Ze blijft denkbeeldige plooien gladstrijken, en even lijkt het of haar ogen vochtig worden.

‘Het geeft niet’, zeg ik. ‘Je bent moe. Je mag best moe zijn.’

Ik sta op en loop terug naar het aanrecht. Maar voor ik het fornuis aansteek bedenk ik me. ‘Ga nog maar even naar je kamer’, zeg ik. ‘Ga nog maar even slapen. We wachten nog wel een uurtje met het eten.’ Het voelt of ik met luide stem heb gepraat, luider dan nodig, maar dat zal inbeelding zijn. Ik zou niet weten waarom ik mijn stem zou verheffen.

Ik zit weer op de bank met de krant voor me, en probeer me voor de geest te halen hoe het is gegaan. Ik krijg het niet helemaal helder voor me, maar er klopt iets niet, zoveel is zeker. En toch, als je de feiten noemt, is er niets vreemds aan de hand: ik zat hier een paar minuten geleden nog op de bank, ik heb haar geroepen, ze heeft de tafel voor me gedekt en we hebben wat aardig bedoelde woorden met elkaar gewisseld. Ze is weer gaan slapen.

Ik blader door de krant, maar er blijft iets aan me knagen. Dan vouw ik de krant dicht, loop naar het trapgat, roep haar naam. ‘Babette’, zeg ik, vriendelijk, uiterst vriendelijk. ‘Babette, kom je naar beneden?’ Ik wacht op haar reactie, concentreer me op eventuele geluiden die van boven komen, maar het enige wat ik hoor is het verkeerslawaai van buiten.

‘Babette’, roep ik nogmaals, harder nu. ‘Babette, het is wel mooi geweest, kom je nu beneden?’

Ik geef haar tien tellen – tien, dan is mijn geduld met haar op en moet er iets gebeuren.