Sedaris, T.S. Spivet, Assen blues

Joyce Roodnat

Het staat er echt. „Bewezen prestaties bieden garanties voor de toekomst”, schreef minister Bussemaker van Cultuur in haar brief aan de Tweede Kamer. En ze had het niet over artistieke prestaties, maar over bezoekersaantallen. Over verkochte kaartjes.

Ik schoot overeind. Wat een vergissing. In het verleden behaalde resultaten bieden misschien garanties voor de kassa, voor de toekomst van de kunst garanderen ze weinig tot niets. Als kunstenaars blijven doen wat ze doen omdat iedereen dat zo goed vindt, staan ze stil. Kunst mag niet een kunstje worden. Stilstand is verstarring. Verstarring is het begin van het einde.

Een kunstenaar is kunstenaar omdat hij vooruit moet. The future is nów! The future is nów! The future is nów! schreeuwde Johnny, de onaangepaste hoofdpersoon van de film Naked, de beste film uit het oeuvre van de Britse cineast Mike Leigh (huur ’m, koop ’m, download ’m. Bekijk ’m. Alsjeblieft).

Ik zie de nieuwe film van Jean-Pierre Jeunet. Dat is de maker van Le fabuleux destin d’Amélie Poulain, de film die de halve wereld liefkozend Amélie noemt. Deze heet The Young and Prodigious T.S. Spivet en wie Amélie zoekt, komt bedrogen uit. Wie wel pap lust van Jeunets hypersurrealisme, dit keer op de prairie en in 3D, die kan zich verheugen op een film uit duizenden.

Verder en voort, dat wil de kunstenaar. En steeds anders, zelfs als hij hetzelfde doet. Kunst daagt altijd uit. Dat betekent niet dat kunst niet leuk mag zijn, of niet lief, of niet mooi. Het betekent alleen dat de belastingbetaler nu juist níet hoeft te betalen voor een pas op de plaats – die betaalt zichzelf al. Inderdaad, via zijn kassucces.

In het tijdschrift The New Yorker staat een nieuw verhaal van de Amerikaanse schrijver David Sedaris. Ik lees hem graag en ik ben de enige niet, hij wordt door velen geadoreerd. Dit nieuwe verhaal heet ‘Now we are five’. Met die titel ontsteekt Sedaris ogenblikkelijk kinderparadijselijke associaties, via A. A. Milne. Auteur van Winnie The Pooh, maar ook van de bundel kindergedichten die Now We Are Six heet: ,,When I was five, / I was just alive. / But now I am six, / I’m as clever as clever. / So I think I'll be six / now and forever.’’

Schattig.

De titel blijkt een berenklem. Direct daarna, met de eerste zin, ontmantelt Sedaris de nostalgie à la Milne. Zes zijn bestaat niet meer, wat rest is rot: „Laat in mei dit jaar, een paar weken voor haar vijftigste verjaardag, pleegde mijn jongste zuster, Tiffany, zelfmoord.”

‘Now we are five’, dat verwijst niet naar een gedroomd verleden. Het zegt de naakte waarheid: nu zijn de zes kinderen Sedaris met zijn vijven.

Sedaris doet wat hij goed kan. Met snelle streken en welgemikt sarcasme ontleedt hij wat Tiffany’s zelfmoord met de overblijvers doet. Met zijn zussen, met zijn broer, met zijn vader. Met hemzelf. Maar er is meer. Hij veranderde van vertelstijl. Zijn bekende zelfspot is er, maar hij hangt niet de pias uit. Dit verhaal trekt de lezer de familie Sedaris in – en schopt hem er weer uit. Want deze rouw kan de lezer niet begrijpen. Mag hij niet begrijpen. Sedaris vertelt het, hij is nu eenmaal schrijver. Maar hij houdt het ook voor zichzelf. En zijn nieuwe, onverschrokken bedachtzaamheid maakt dit tot het beste verhaal dat ik ooit van hem las.

Een naarbinnen geslagen blik, ook Camilla Siegertsz slorpt me ermee op in het stuk Assen blues. De vrouw die ze speelt, verzinkt in zichzelf zoals ik het niet eerder op het toneel zag. Het is de staat van afwezigheid die doorgaans snel wordt afgestraft met een knip voor de neus of een flauw grapje („Starende meisjes zijn verliefd!”).

Door Siegertsz’ openhartige gestaar denk ik dat we dikke mik zijn, zij en ik. Vergeet het maar. Wat dat personage denkt, houdt ze voor zichzelf. Het is een gevaarlijke manier van toneelmaken. Het zou het publiek fataal de desinteresse in kunnen duwen. Maar juist die blik van Camilla Siegertsz is de kracht van Assen blues.

Ik ben in Rome en ga naar het Maxxi, het museum voor 21ste eeuwse kunst. Straks zal ik genieten van hun werk, nu heb ik nog nooit gehoord van Francesco Vezzoli en Clemens von Wedemeyer. Eerst naarbinnen door de glazen deuren, met het motto van Maxxi erop gegraveerd: ‘Vooruitgang is onmogelijk zonder het onbekende onder ogen te zien.’