Potentie

De taal van de ambtenaar is ook niet meer wat ze is geweest – moest je vroeger in beleidsnota’s tussen de formele zinswendingen naar betekenis zoeken, tegenwoordig waait de geest van Ben Tiggelaar door de ministeries. Er is geen geld, maar woorden kosten niets. In de beleidsbrief Cultuur beweegt van minister Jet Bussemaker heerst de wilde dynamiek van de peptalk: potentie, veerkracht, creativiteit, innovatie, inspiratie, bezieling. De minister: „Ik zet in op een cultuurbeleid dat de samenleving raakt en in beweging brengt.”

Wow. En dat allemaal in de week dat bekend werd dat de bibliotheekcollectie van het Tropeninstituut – 400.000 boeken, 20.000 tijdschriften – die door de bezuinigingen in de papierversnipperaar gestopt dreigde te worden, op het nippertje gered werd – door Egypte. De vermaarde Biblioteca Alexandrina is bereid de collectie over te nemen en toegankelijk te houden voor onderzoek.

Wij hadden het ook graag gedaan. Maar wij zijn een arm land.

Heel de nota van Bussemaker ademt de geest van het artistieke kapitalisme. Dat woord heb ik van de Franse sociologen Gilles Lipovetsky en Jean Serroy. In hun boek L’esthétisation du monde; vivre à l’âge du capitalisme artiste, dat vertaald zou moeten worden, leggen ze uit hoe het kapitalisme de afgelopen decennia kunstzinnig is geworden – na goederen en diensten, worden nu steeds vaker emoties, ervaringen, sensaties verkocht. Vormgeving, in alle betekenissen van dat woord, is belangrijker dan ooit. Meer dan voorheen worden nadrukkelijk gestileerde producten op hun gevoelswaarde verkocht. In plaats van gebruiksgoederen zijn het steeds meer esthetische objecten. De iPhone 5s heeft voor veel mensen dan ook een grotere emotionele waarde dan een expositie in de galerie om de hoek.

Maar zoals de kunst steeds verder in de economie is doorgedrongen, zo heerst de economie ook steeds meer over kunst. Lipovetsky en Serroy laten zien hoe de geest van de calculatie zich meester heeft gemaakt van de spektakeltentoonstellingen, het museum als creatieve onderneming, de formulefilm als winstmachine, en natuurlijk de speculatieve kunsthandel. Dat lijkt winst, vanwege het grote bereik, maar de auteurs wijzen erop dat in een massacultuur de kunst eerder verschraalt – het zijn de toppers die alle aandacht krijgen, de bestseller, de topkunst, de blockbuster.

Kunst moet in het tijdperk van het artistieke kapitalisme vooral bedrijfsmatig worden behandeld. Het idee van de kunst als een maatschappelijk laboratorium, als middel om menselijke ervaringen te verkennen die niet meteen in harde cijfers te vertalen zijn, qua ondernemerschap of publieksbereik, kan in de versnipperaar. Niet voor niets duikt het woord „ondernemerschap” zo vaak op in de Bussemaker-nota.

Het is precies die taal die ook al jaren gesproken wordt in de grote onderwijsinstellingen. Geslaagd ondernemerschap betekent in die taal hetzelfde als maatschappelijk relevant. Aan de universiteiten begint het te dagen dat door de wetenschap zuiver instrumenteel op te vatten, je het idee van wetenschap zelf uitholt en een generatie wetenschappers kweekt die zich als bankiers gedraagt – gevoelig voor perverse prikkels als subsidies bij gehaalde quota’s, kwantiteit voor kwaliteit, vergaande horigheid aan het bedrijfsleven.

Natuurlijk, instituten die over zaken als kennis en cultuur gaan kunnen best wat zakelijker, dat is genoeg vastgesteld, ook door mij. Niet met je rug naar de samenleving, jongens! Maar dat is iets anders dan kennis, cultuur, kunst zélf volkomen verzakelijken.

Cultuur beweegt ademt dezelfde geest als die van het onderwijsbeleid. Aansluiting bij de samenleving staat voorop. Klinkt mooi, wie wil het niet, maar die aansluiting wordt vooral gezocht in de samenwerking van vormgevers bij het bedrijfsleven – een dynamiek die nauwelijks door de overheid gestimuleerd hoeft te worden omdat, zoals Lipovetsky en Serroy laten zien, vormgevers in de huidige vorm van kapitalisme al de tijd van hun leven hebben. Verder is er vooral de neiging om te ondersteunen wat al succesvol is en wat in het buitenland scoort.

Ondersteund wordt vooral wat zich bewezen heeft. Daarmee zit ook het kunstbeleid nu volledig in de lijn van de overheidsbemoeienis met wetenschap en ontwikkelingshulp: er wordt afgerekend in economische termen. De Amerikaan Matt Steinglass, correspondent voor de Financial Times, noemde Bussemaker op Twitter: „NL’s nieuwe cultuurpolitieke genie. Als je het commercieel goed doet, krijg je meer subsidie. Als je subsidie nodig hebt, krijg je die niet.”

Het enige restant van het oude sociaal-democratische verheffingsideaal in Cultuur beweegt is de nadruk op cultuureducatie. Daar zet de minister stevig op in. Wat ze die scholieren gaat bijbrengen? „Creativiteit en innovatie zijn voorwaarden voor de verdere groei van onze kennissamenleving.”