Partijen met angst voor de eigen leden en kandidaten

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: Erik van Bruggen, talentscout en campaigner.

Ofwel: het verschijnsel van de onbekende lijsttrekkers.

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Politici die contact zoeken met kiezers – het blijft een goed idee. Maar wat als de kiezer amper komt kijken? Dit laatste gebeurt de laatste weken pijnlijk frequent, al valt het nauwelijks op: ook de media komen zelden kijken.

Het voltrekt zich bij de lijsttrekkerverkiezingen die bijna alle grote partijen organiseren voor het Europees parlement, dat volgend jaar mei wordt gekozen.

Och, kun je zeggen, dat is een eind weg. En dat parlement heeft nu eenmaal altijd het manco van die Europese leuze uit 2005 behouden: best belangrijk. Maar het duurt hooguit anderhalve maand voordat Wilders bekendmaakt of hij zelf meedoet aan die verkiezingen – in de PVV verwachten ze van wel. Dan verandert er van alles. Volgende week bezoekt Marine Le Pen de PVV-voorman in Den Haag. Een voorproefje.

De Hollandse voedingsbodem voor anti-Europese retoriek wordt intussen steeds vruchtbaarder. Niet-eurosceptici denken vaak ten onrechte dat PVV-kiezers de opvattingen van Wilders – terug naar de gulden, etc. – letterlijk zouden nemen. Welnee.

Mensen willen minder Europa – en het omineuze voor andere partijen is dat dit allang geen wens van een minderheid meer is. Het laatste kwartaalbericht van het SCP (1 oktober) laat zien dat nog slechts 28 procent van de bevolking vertrouwen heeft in de EU. 59 procent meent dat te veel taken zijn overgedragen; vorig jaar was dat nog 44 procent.

Dus in de periode dat de euro vermoedelijk werd gered, groeide de behoefte aan minder Europa. Bolkestein voorspelde donderdag in gesprek met de Volkskrant een klinkende zege voor Wilders.

Tegelijk kampen de traditionele partijen met de diepste vertrouwensval van alle politieke instituties. Jonge deelnemers aan een partijdemocratie zijn even schaars geworden als nieuwe leden van een willekeurig kerkgenootschap.

Dus die partijen moeten wat. En ze denken sinds vorig jaar bijna allemaal dat ze zich overeind kunnen houden door leden hun nieuwe leiders te laten kiezen. Elke partij primaries: het brengt mensen en media op de been, het verscherpt het inhoudelijke debat, het test de kwaliteiten van kandidaat-leiders. Win-win-win. Logisch dat ze dat dit jaar ook probeerden bij de keuze van een nieuwe Europese lijsttrekker.

En toen werd het stil.

Want als het u even is ontgaan dat GroenLinks Bas Eickhout als lijsttrekker koos, bent u de enige niet: slechts 23 procent van de GroenLinks-leden nam de moeite zijn stem uit te brengen. CDA met Esther de Lange gemist? Niets bijzonders: opkomst 22,9 procent. D66 met Sophie in ’t Veld? Gekozen door „een vijfde” van de leden. (Dat de VVD lijsttrekker Hans van Baalen gewoon aanwees was dus zo gek nog niet.)

Bij de PvdA zijn ‘de debatten’ nog gaande, ik zag er woensdag een in Arnhem. Vier kandidaten keken vanaf een podium in een zaal met een paar honderd stoelen waarvan er, schat ik, zestig gevuld waren. Een econoom (Paul Tang), een Europese medewerker (Bernard Naron), twee lobbyisten: Zita Schellekens (Heineken) en Robbert Baruch (Buma/Stemra, vroeger de verzekeraars).

Je kreeg niet het idee dat het ondeskundige of zwakke kandidaten waren: je kreeg geen enkel idee over deze kandidaten. Ze hadden allemaal een flyertje. Hier en daar hing een poster (‘Zita 2014’). Ze vielen elkaar niet aan. Ze vielen het concept-verkiezingsprogramma niet aan. Ze lichtten hun cv niet toe. Ze waren voor Europa.

Eerder noemde Tang het kabinet ‘de firma List en Bedrog’ omdat het Europese begrotingsnormen gebruikte als argument voor extra bezuinigen. Je hoorde hem er niet over; de anderen ook niet. En Baruch, misschien weet u het nog, kondigde na de zomer op deze pagina aan dat hij vol vuur de strijd zou aangaan. Niets van gemerkt in Arnhem.

Dit vechten was, zo bleek me na het debat, ook nooit de bedoeling geweest. De partij eist dat kandidaten niet rollend over straat gaan: hun zelfpromotie mag de PvdA niet verzwakken. De partij staat al zwak genoeg. Vandaar dat deze voorverkiezingen zijn beperkt tot een test van stijl en uiterlijk: zo groot is de angst voor de eigen kandidaten. En de eigen leden.

Het contrast met een avond eerder was niet te missen. In de Amsterdamse Melkweg liep toen een zaal met geslaagde twintigers vol voor de Amerikaanse journalist Roger Simon, die kwam praten over Obama’s tweede termijn. Obama lijdt onder precies het omgekeerde van die PvdA-kandidaten: hij won de primaries dankzij overspannen beloften en strijdt nu tegen de, zoals dat heet, toxic cycle of overpromise and underdelivery.

Vooraan zat Erik van Bruggen (45), die dit avondje met zijn campagnebureau BKB mede had georganiseerd. Ik liep na afloop op hem af. Een politieke voorloper met roots in de PvdA (grondlegger Niet Nix, betrokken bij campagnes van Kok en Bos) en een grote liefde voor Amerikaanse politiek. Ook een man die met zijn cursusprogramma – de BKB-academie – onopvallend een positie als talentscout voor politici en ondernemers verwierf.

Onbetwiste trendsetters als Sywert van Lienden, euroscepticus Thierry Baudet, Marietje Schaake (D66, Europarlement) en Alexander Klöpping volgden de academie. Mensen die de kunst van de moderne communicatie verstaan: succes kondigen ze aan, pas daarna gaan ze het proberen te realiseren. Eerst aandacht voor de promise, de delivery komt later – net als in die politieke campagnes in de VS.

Van Bruggen wist ogenblikkelijk hoe je zo’n lauwe Europese campagne kon opfrissen: geef kandidaten de kans hun eigen programma te propageren, en spreek af dat de partij het programma van de winnaar volgt. Hij raakte teleurgesteld in de PvdA toen Bos zich wel naar de partij plooide – in plaats van de PvdA naar zijn hand te zetten.

Voor Van Bruggen moeten politici zich als individu een positie verwerven. Iemand als Mona Keijzer in het CDA ziet hij als belofte. En juist in de PvdA zou hij willen dat kandidaten kunnen zeggen wat ze op hun lever hebben, en gewoon op de man kunnen spelen: geef ze de kans een eigen achterban te ontwikkelen. „Bouw een beweging, activeer kiezers: dán help je de democratie vooruit”, zei hij.

Ook een grotere rol van het geld in campagnes kan daarbij helpen. „Mensen die hun eigen geld op kunnen halen bewijzen ze dat ze het waard zijn kandidaat te zijn”, zei hij.

Nadelen wuifde hij weg. Ik zei: dan krijg je permanente campagnes als in de VS; Nederland heeft meer baat bij stabiel bestuur dan extra democratie. Valse tegenstelling, vond hij. „Die kabinetten vallen hier zo makkelijk omdat ze vol politici zitten die nooit een kiezer onder ogen komen.” Dat een grotere rol van het geld een gevaar zou zijn, sprak hij ook tegen. „Je creëert er juist mee dat je luistert naar kiezers die jouw campagne hebben gesteund.”

Hij bracht me aan het twijfelen. Het is waar: het bestuur in de VS is zwak door te veel democratie; de rol van het geld is er zo groot geworden dat iedereen permanent campagne voert, waarmee politiek een pervers spel van professionals werd. Mensen die zich omtoveren tot merk en voortdurend functies verwisselen – dan Congreslid, dan lobbyist, dan pundit – om hun fondsenwervingpotentieel op peil te houden.

Tegelijk werken die halfbakken Hollandse primaries helemaal niet. En het ongeluk dat ze veroorzaken is potentieel enorm: zo veel non-descripte kandidaten tegen Wilders inzetten is bijna smeken om een afstraffing.

En je kunt bezwaren houden, maar op termijn krijgt Van Bruggen vanzelf zijn zin. Jonge mensen negeren partijen, de maatschappij individualiseert verder, en talenten als Van Lienden en Klöpping duwen het proces vanzelf zijn richting op; in de politiek en daarbuiten. Een weg terug is er niet meer. Het enige dat je kunt hopen is dat de overgang geleidelijk verloopt.

Deze week hoorde ik in Den Haag voor het eerst de term ddb’tje: druk druk belangrijk. De politieke assistent of ambtenaar die tijdnood veinst om zichzelf gewicht te geven – en zo even onder de immense druk uitkomt. Als je in het Congres in Washington rondloopt, zie je niet anders. Eén mierenhoop van ddb’tjes. Het voorland van Den Haag: wie geen ddb’tje is, stelt niets meer voor.