Op de grens tussen redden en roven

Was hij redder van entartete Kunst, of was Hildebrand Gurlitt, de man die de verborgen kunstschat in München naliet, een sluwe handelaar in van Joden geroofde kunst?

Cornelis Gurlitt (79) is zoek. Sinds de politie in februari 2012 meer dan 1.400 kunstwerken uit zijn appartement heeft gehaald, is hij niet meer waargenomen. Niet in München, bij die flat, en niet in Salzburg, waar hij een huis bezit.

Een week na de onthulling van de gevonden kunstschat is de vraag naar zijn verblijfplaats ook niet meer de belangrijkste. Erfgenamen van Joodse families die kunst verloren in de periode 1933-1945, museumdirecteuren, organisaties gespecialiseerd in de restitutie van roofkunst en zelfs de Bondsregering voeren de druk op de Beierse politie op om alle in beslag genomen werken te publiceren. Als de afbeeldingen en titels er eenmaal zijn, kan iedereen zelf een poging wagen uit te zoeken hoe een werk in Gurlitts verzameling is beland.

Ieder antwoord begint bij de vader van Cornelis, Hildebrand, geboren in 1895 en overleden in 1956 na een verkeersongeluk. En hoe mysterieus zoon Cornelis ook mag zijn – een „zonderling” zeggen buurtgenoten, een „keurige, grijze man”, zegt een galeriehouder – over Hildebrand is vrij veel bekend. Net als over zijn werk als kunsthandelaar.

Ingewikkelder is de vraag: hoe te oordelen over hem? Was hij redder van kunst die door de nazi’s als „ontaard” op de brandstapel belandde? Of was hij een handelaar in geroofde kunst? Een die bovendien uit naam van Hitler middenin de oorlog kunst kocht voor het nog op te richten Führermuseum in Linz.

De Amerikanen stelden zich dezelfde vraag. Toen ze hem in maart 1945 aantroffen in slot Pöllnitz in Aschbach, waar hij enkele dagen eerder was aangekomen met zijn vrouw, twee kinderen en een truck vol kunst, plaatsten ze hem direct onder huisarrest. Hij zou een denazificatieprogramma ondergaan. Dat leek niet echt nodig, viel de Amerikanen op. Gurlitt bleek een Joodse grootmoeder te hebben, wat hem volgens de rassenwetten van Neurenberg een Vierteljude maakte. Bovendien zei hij een hekel te hebben aan nazi’s. Hij kon bewijzen dat nazi’s zijn carrière als museumdirecteur in de knop hadden gebroken. Oké, hij was ijverig geweest als handelaar, dat gaf hij toe. En hij was goed. Maar dat was eigenlijk het enige verwijt dat hem kon worden gemaakt, meende hij zelf. „Door de nazi’s weggestuurd, werd ik een kunsthandelaar”, zei hij op 10 juni 1945 in een gezworen verklaring, ondertekend door luitenant Dwight McKay: „zeer tegen mijn puur wetenschappelijke bedoelingen in”.

Er was reden hem te geloven. Als jonge museumdirecteur in Zwickau had hij, eind jaren twintig, furore gemaakt in kringen van de avant-garde, met tentoonstellingen van Duitse expressionisten. Hij kwam daardoor in aanvaring met de lokale NSDAP. Die begon een hetze tegen deze promotor van „ontaarde” kunst en „Unkultur”. Het leidde tot zijn ontslag in 1930. Daarna kon hij aan de slag als voorzitter van de Kunstverein in Hamburg, maar ook daar moest hij weg – toen Hitler aan de macht kwam in 1933.

Ondertussen nam de strijd tegen ontaarde kunst een vlucht. In juni 1937 gaf Hitler propagandaminister Goebbels de opdracht alle moderne kunst uit de Duitse musea te halen. Uit de 21.000 geconfisqueerde werken werd een keuze gemaakt voor de expositie Entartete Kunst, die het land doorreisde als afschrikwekkend voorbeeld van ontspoorde kunst. Op 20 maart 1939 gingen bijna 5.000 kunstwerken zelfs op de brandstapel, op de binnenplaats van de brandweerkazerne in Berlijn.

Maar met de ‘Dreck’ was meer te doen dan verbranden, meende Goebbels. Hij besloot de kunst te laten verkopen, in het buitenland: harde valuta kon het Derde Rijk goed gebruiken. Toen kwam Gurlitt in beeld, als grote kenner met een enorm buitenlands netwerk van potentiële kopers. Hij werd een van de vier kunsthandelaren die bevoegd waren te handelen in ontaarde kunst.

Gurlitt verdiende er goed aan. Van iedere verkoop streek hij 20 tot 25 procent commissie op. Toen hij in 1943 ook kunst mocht inslaan voor het Führer Museum, kreeg hij vier procent. Dat was niet gering gezien de bedragen die hij kon uitgeven: in 1944 kocht hij eens vier tapijten voor 2,2 miljoen rijksmark. Commissie: 88.000 rijksmark. In die tijd verdiende de bovenlaag van Duitsland 400 rijksmark per maand. In 1943, zo vertelde hij de Amerikaanse luitenant McKay, had hij bijna twintig keer zoveel verdiend als in 1933. Toen Hitlers Duitsland geografisch op zijn hoogtepunt was en tot diep in Rusland reikte, kocht Gurlitt schilderijen van Cézanne en Pisarro voor zo’n 5 miljoen frank, destijds een record. Niet met geld van nazi’s, die waren in deze kunstenaars niet geïnteresseerd. Pisarro was een Jood. De Cézanne bleek later overigens vals, een kleine relativering van Gurlitts kennerschap.

De avant-garde-liefhebber kocht ook direct van kunstenaars. Hij deed dat als museumdirecteur en ging daar in de oorlog mee door. Zo bezocht hij in 1943 en 1944 de verarmde Max Beckmann in Amsterdam, voor de oorlog al een van de bekendste Duitse expressionisten. Beckmann zal daar blij mee zijn geweest. Bovendien: als de in beslag genomen kubistische, impressionistische of expressionistische werken geen buitenlandse koper vonden, kon hij ze redden van de brandstapel. Door ze zelf te kopen. Dat deed hij regelmatig, met buitenlandse valuta. Soms voor spotprijzen.

Wat moesten Amerikanen als McKay hier van denken? Het was logisch dat avant-gardefan Gurlitt zich geestelijk nooit heeft gevoegd naar de culturele opvattingen van het nazisme. Tegelijk was ook duidelijk dat Gurlitt zich de voordelen had laten welgevallen die de nazi’s hem boden. Hij vulde zijn zakken. Misschien redde hij daarbij af en toe een kunstwerk. Dat laat onverlet dat hij werk kocht waarvan hij wist dat het was geroofd van Joden. Tegen McKay zei hij: „Ik heb nooit een schilderij gekocht dat mij niet vrijwillig was aangeboden.” Dat kan in strikte zin juist zijn. Maar hij wist waar de topstukken vandaan kwamen die werden aangeboden.

Neem het vrouwsportret van Matisse dat de politie afgelopen dinsdag toonde. Het blijkt uit de collectie te komen die de Joodse handelaar Rosenberg op de vlucht voor de nazi’s in Frankrijk had achtergelaten. Erven zoeken er al decennia naar.

Na de oorlog had Gurlitt werken kunnen teruggeven. Maar dat bleek hij eigenlijk alleen te doen wanneer een Duits museum hem eraan herinnerde dat hij dit bij aankoop had beloofd. Hij overleed in 1956. Daarom weten we vooral hoe zijn weduwe omging met verzoeken en vragen van Joodse erfgenamen.

In het staatsarchief in Berlijn is een kopie van een exemplarisch briefje van haar. Op 1 januari 1967 antwoordt ze op een vraag van Joodse erfgenamen naar de verblijfplaats van vier kunstwerken: „Ik kan u alleen maar zeggen dat de volledige inventaris en administratie van de kunsthandel zijn verbrand op 13 februari 1945, tijdens het grote bombardement op Dresden. Mijn man stierf op 9 november 1956 in Düsseldorf. De kunstgalerij D. H. Gurlitt is dicht, sinds 1945. Hoogachtend, Helene Gurlitt.”