Ontrafelde mythes van het Kremlin

In een fascinerende geschiedenis van het Kremlin laat Catherine Merridale zien hoe al eeuwenlang wordt geprobeerd te verhullen wat er werkelijk binnen de muren van dat geheimzinnige fort is gebeurd.

Het Terem Paleis in het Kremlin in Moskou. Foto AFP

President Poetin trakteerde het Nederlands koninklijk paar vrijdagavond op een diner in een van de vergulde pronkzalen van het Grote Kremlinpaleis. De kans is klein dat de koning en zijn gade, verdwaald in dat enorme complex, per ongeluk een deur van een verzegelde ruimte hebben geopend, om ineens in een eeuwenoude kerk te belanden.

Het had echter heel goed gekund, want het Grote Kremlinpaleis werd in 1837 gebouwd op de resten van verschillende vergeten kerken en kathedralen. Zo’n ‘misstap’ had het koninklijk paar een beter inzicht in de Russische geschiedenis kunnen geven dan welke naaste adviseur ook.

De Britse historica Catherine Merridale trof het beter. Tijdens haar onderzoek naar de geschiedenis van het Kremlin gingen voor haar bij wijze van hoge uitzondering veel verzegelde deuren in die eeuwenoude vesting open. Wat ze te zien kreeg, was verbijsterend. Zo stuitte ze op een verborgen 17de-eeuwse kerk met ikonen van meesterschilder Oesjakov. Een armoedig peertje verlichtte de muren, die begin jaren twintig door Lenin gestript waren van hun zilverbeslag. Zogenaamd om een hongersnood te ledigen, maar in werkelijkheid om het nieuwe regime van geld te voorzien.

Ook kwam ze in de wintertuin waar Stalin zijn bioscoop had en werd ze meegenomen naar de kelders van het paleis, waar zich de resten van een 14de-eeuwse kerk bleken te bevinden. De nationale schatkamer annex presidentiële burcht bevatte tal van dieper gelegen, onbekende schatkamers.

Van zulke smakelijke verhalen wemelt het in Merridale’s nieuwste boek Het Kremlin. Een politieke en culturele geschiedenis. Aan de hand van de bouwgeschiedenis van die eeuwenoude vesting schetst ze een allegorie van de Russische staatsmacht: telkens wordt het Kremlin door brand, vijandelijke aanvallen of de komst van een nieuwe heerser vernield, en telkens wordt er weer met veel moeite en vooral in chaos iets nieuws op de puinhopen gebouwd, dat de eerdere bouwsels moet ontkennen. Op die manier vertelt Merridale ook een ander verhaal: dat van het witwassen van het verleden door de achtereenvolgende Russische heersers, van tsaar Ivan I tot Poetin, die mythes gebruikten om hun, soms wankele, macht te legitimeren en met dat doel de geschiedenis manipuleerden.

Merridale gaat letterlijk de diepte in bij het onthullen van de vele mysteries van het Kremlin. Ze krijgt bijvoorbeeld van de tolk van president Gorbatsjov bevestigd dat er onder Stalin in het Kremlin wel degelijk een ondergrondse metrolijn naar de buitenwereld is gebouwd, iets waarnaar al decennia lang wordt gegist. Terzijde vertelt ze ook hoe in 1991, toen conservatieve communisten Gorbatsjov wilden afzetten, de coupplegers in een ondergrondse tram uit het gebouw van het Centraal Comité konden ontsnappen, toen dat door woedende betogers bestormd werd. Eerder had ik nog nooit van die tram gehoord, maar het bevestigt weer eens hoeveel geheime gangen er nog onder het Moskouse centrum lopen.

Beboste uithoek

Het Kremlin begint in het vroege Moskou, dat anders dan rijke handelssteden als Tver en Novgorod in een dicht beboste uithoek lag en zijn leidende positie nog moest veroveren. Volgens Merridale was in die stad in 1325 voor het eerst sprake van een Kremlin, toen vorst Joeri van Moskou door de Mongolen werd vermoord en zijn broer Ivan op de troon kwam. Als Ivan I zou hij zijn stad uitbouwen tot de leidende macht van het land. Wat daarbij hielp was dat hij achttien maanden in Saraj had gewoond, de hoofdstad van de Mongoolse Gouden Horde, die de baas was in Rusland. Daar werd Ivan gevormd door de hoogstaande, kosmopolitische beschaving van de Mongolen en bouwde hij een goede verhouding op met de khan.

Terug in Moskou, ontpopte Ivan zich als een fanatieke collaborateur, die trouw tribuut voor de Mongolen inde – en een aanzienlijk deel daarvan in zijn eigen zak stopte. Ook werd hij door de khan ingezet om lastige steden als Tver te bedwingen. Dankzij zijn band met die khan wist hij in 1339 toestemming te krijgen om de vervallen Kremlinmuren te herstellen, waardoor Moskou zich kon verdedigen tegen iedere toekomstige vijand, zoals ook de Mongolen zouden ervaren. Over die collaboratie valt in de kronieken echter niets te lezen.

Het vroege Kremlin was niet alleen een burcht, maar ook een kleine stad, waar behalve de vorst en zijn edelen ook rijke kooplieden woonden. Daarnaast was het een religieus centrum, met een belangrijk klooster, een kerk en een eigen metropoliet, Peter, die als kerkleider verantwoordelijk was voor alle Russische gebieden. In 1339 werd Peter heilig verklaard, waardoor Moskou zelf een heilig fundament kreeg en een stichtingsmythe kon creëren als heilige stad.

Merridale beschrijft uitvoerig hoe de achtereenvolgende heersers van Moskou hun militaire regime steeds meer, en soms met veel geweld, wisten te versterken. Nieuwbouw binnen de Kremlinmuren leek die machtsuitbreiding te moeten verbeelden. Italiaanse architecten, metselaars uit de Baltische landen, Duitse ingenieurs stonden er in één grote bouwput. Renaissancepaleizen, kazernes, kloosters, kerken, kathedralen verschenen en verdwenen, al naar de grillen van de vorst, die door een nieuw kerkgebouw neer te zetten absolutie hoopte te krijgen voor zijn wreedheden.

Ook laat ze zien hoe aan het einde van de vijftiende eeuw Rusland geleidelijk ontdekt werd door het Westen, dat aangetrokken was door de overvloed aan edelstenen, sabelbont en rendierhuiden, zoals dat nu gebeurt door olie en gas. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) was het Kremlin zelfs een geliefde vluchtplaats voor talloze Duitse vaklieden. De citadel veranderde daardoor in een internationaal centrum voor artistieke vernieuwing. In die jaren werd ook de Verlosserstoren van het Kremlin gebouwd, door de Schotse ingenieur Christopher Galloway. De toren kreeg al gauw een symbolische status, maar de naam van zijn schepper werd vakkundig weggemoffeld uit de geschiedenisboekjes ten gunste van een Rus.

Opvallend is dat de Russische heersers toen al een groot wantrouwen koesterden jegens de ‘machrabi’ (arabieren), zoals westerlingen werden genoemd. En tegelijkertijd was er die eeuwige onderdanigheid van de onderdanen voor hun vorst, hoe wreed die ook is. Merridale citeert daarbij een jezuïtische gezant over de wreedheden van Ivan IV: ‘Zelfs als ze bijna worden doodgeslagen, zeggen ze soms dat de vorst hun een gunst heeft bewezen door hen te kastijden.’ Meteen denk je bij zoiets aan Stalin.

Weinig veranderd

Aan het einde van Het Kremlin besef je dat er sinds Ivan I in Rusland weinig veranderd is. De corruptie dateert al uit de vroegste tijden, evenals de dronkenschap, de Aziatische wreedheid, de religieuze symboliek waarmee zowel het tsarendom als het presidentschap van Poetin wordt omgeven, de slavernij (tegenwoordig zijn het de Kirgizische, Oezbeekse en Tadzjiekse gastarbeiders die het slavenwerk doen) en het benadrukken dat Rusland alleen met harde hand efficiënt kan worden bestuurd.

Het hoogtepunt in dit knappe boek is de periode die aanbrak met de staatsgreep van de bolsjewieken, op 7 november 1917. De nieuwe machthebbers wilden alles binnen de Kremlinmuren slopen om plaats te maken voor moderne bouwwerken die hun ideologie verkondigden. Alle kloosters moesten er aan geloven. Kostbare fresco’s werden verwoest. Moskouse arbeiders, die onder de tsaar nog ijverig zaten te bidden, deden enthousiast aan die verwoesting mee. Een nieuwe tijd, een nieuw geluid, dachten ze blijkbaar. Dat laatste is ook duidelijk in het Rusland van Poetin, waar het gewone volk tegenwoordig weer massaal naar de kerk gaat.

En ook dit keer sudderde de ontkenning van die massale verwoesting door de communistische autoriteiten lang door: nog in 2007 durfden de Russische autoriteiten te beweren dat er binnen het Kremlin nooit een klooster had gestaan.

De aangrijpendste verwoesting was die van de kathedraal van Onze Verlosser in het Woud, het oudste gebouw van Moskou, op 1 mei 1933. Het besluit hiertoe werd door het politbureau genomen, de uitvoering verricht door de geheime politie. De hele gebeurtenis werd in de doofpot gestopt, omdat het buitenland er niets van mocht weten. Zelfs de fundamenten van de kerk zijn daardoor nooit teruggevonden, alsof de kerk nooit bestaan had. Maar in 1955 publiceerde een Britse kunsthistoricus een boek over het Kremlin met foto’s van onder meer die verwoeste kathedraal, die op papier ineens weer bestond. Maar zelfs dat leidde niet tot openheid over wat er echt was gebeurd. Dat zwijgen duurt tot op de dag van vandaag.

Merridale beschrijft ook hoe geliefd de honderden appartementen in het Kremlin aanvankelijk bij de revolutionairen waren. Direct na 1917 stonden ze ervoor te dringen, ook omdat het Kremlin voorzien was van eigen winkels waar voedsel te krijgen was. Maar na de moord op de Leningradse partijleider Kirov nam ook binnen het Kremlin de paranoia toe. In 1935 eist de beginnende Stalinterreur al 110 slachtoffers onder de Kremlinbewoners. De vesting werd volgestopt met microfoons. Geheime dienstchef Beria liet zelfs een onderaardse gang graven om Stalin af te kunnen luisteren. Die gang werd pas in 1994 ontdekt.