Niet iets om voor te sterven

De nieuwe Maserati is tot verdriet van Bas van der Putten geen sloerie met karakter meer.

Ze komen uit Italië, maar Maserati’s zijn een soort Griekenland. Een economisch rampscenario, destructiever dan coke en even verslavend. Ze zijn als de sirenen van Homerus, verleidsters die hun slachtoffers met huid en haar verslinden. De Maserati die je in 2000 voor een ton nieuw kocht, staat nu voor acht mille bij een shabby dorpsgarage, met in het dashboardkastje een pak onderhoudsfacturen ter waarde van de nieuwprijs. Ik zag een aanbieder wanhopig adverteren met de omineuze kreet „klassieker in wording”. Man toch! Voor hij die status heeft bereikt, is de bestuurder van verdriet gestorven. Maar op zijn sterfbed zal hij zeggen dat hij nergens spijt van heeft.

Hoe leg je uit dat Maserati-rijders die pijn opzoeken? Je moet de junk snappen die teert op zijn verachting van de rede, bereid te sterven voor één hemels ogenblik. Zijn suïcidale desinvestering is zijn njet! tegen de laffe burgerij. Zijn geflirt met het lot ontsloeg Maserati van de plicht waar voor het geld te leveren. Wat zegt de eigenaar tegen de wegenwacht? Het is een sloerie, maar ze heeft karakter. Hij wil de courtisane die hem leegzuigt.

Daarom kan een bijna betaalbare, degelijke Maserati nooit wat worden. Die speelt niet met je leven. Maar hij is er nu toch en hij komt zelfs als diesel, voor de veelrijder. Ik snap waarom. Voor moederfirma Fiat is het van het grootste belang dat Maserati zielen wint onder „succesvolle individualisten” met, dit is allemaal echt gezegd, „een uitgesproken zelfbewustzijn”. Zo ronselt Kia ook, mooi hè?

Ghibli heet het koekoeksei en dat is gek. Maserati’s met die naam hebben niets gemeen. De eerste Ghibli van 1966 was wat nu een supercar genoemd zou worden, de tweede – 1992 – een iets te volslanke coupé met een kofferbak. De derde Ghibli is een sportsedan ter grootte van een BMW 5-serie. Het is een soort gekrompen Maserati Quattroporte, de Italiaanse S-klasse. Toen die nog groter groeide, vond Maserati dat er ook een kleinere vierdeurs moest komen die natuurlijk niet Quattroporte Junior kon heten. Dan verneder je de koper die geen echte kan betalen. Maserati paait zijn ego met de toezegging dat deze veel sportiever is. Marketing is verkapte troost.

Met een prijs vanaf iets boven de tachtigduizend euro duikt de Ghibli in het zogenaamde E-segment van dure Duitse middenklassers. Maserati noemt hem een „serieus alternatief” in het „high-end luxury segment” en bezweert dat hij kwalitatief door de beugel kan, „a quantum leap forward”. O, dat gebral altijd.

Wat is zijn meerwaarde? Italiaans raffinement, de flair van het onzinnige genot. Overdadig design, leer in gepassioneerde kleuren, hysterisch knetterende uitlaatpijpen. Maar wat heet geraffineerd?

In de film Amour van Michael Haneke komt een vrouw thuis na een ziekenhuisverblijf. Door een hersenbloeding is ze in een rolstoel terechtgekomen. Haar man rijdt haar van de gang naar de kamer. Gaat die rolstoel in de deurpost vastlopen? Een domme regisseur zou de verleiding niet weerstaan. Haneke kijkt wel uit. Zijn drama is groter, dat moet vrije doorgang hebben. Maar natuurlijk roept hij wel de spanning van de vraag op. Dat is echt raffinement; laten zien dat je begrijpt hoe je bekeken wordt door serieuze kijkers.

Dat lukt Maserati niet. De Ghibli is een ongeconcentreerd, onzeker ontwerp. Het hengelt overdressed naar aandachtgeile rijders en naïeve spotters die allures voor allure houden. De auto draagt zijn indrukwekkendheid te zichtbaar uit met een overkill aan lijnen en rondingen. Hij is een onsamenhangend complex van visuele prikkels, geen sterke vorm. Hij trivialiseert zijn publiek.

Hij rijdt best goed, niet uitzonderlijk. De diesel voelt ondanks zijn 275 pk wat wattig aan, een schip als zovele. Het topmodel S Q4 is met vierwielaandrijving en 410 pk inderdaad gevaarlijk snel, maar een Porsche is scherper. Het interieur is fraai, dat van de Mercedes CLS niet lelijker. De Ghibli kan niet in de schaduw staan van de laatste mooie Maserati, de Quattroporte IV. Die was wat deze ook had moeten zijn: de duvel in een mooi, eenvoudig doosje. Dat was een schoonheid waar je voor wilde sterven. Deze is voor dragers van zalmroze overhemden met een wit boordje.

Vijftien jaar geleden kon zo’n Italiaanse slet monumentaal de diva uithangen in de toen nog bloedeloze officiersmess van het E-segment. Dat theater is overgenomen door de Duitsers, die in Stuttgart en München ook best mediterraan met brultonen en kleuren spelen.