Locals aan de bar

Doe als Marcel Proust en Woody Allen: kies een hotelbar als stamcafé.

Vijf uur Amstel? Of Okura? Andaz?” Het gebeurt steeds vaker: afspreken in een hotelbar. Niet als toerist, maar in je eigen stad. Het is voor Nederland een nieuw fenomeen – het Amstel hotel had tot begin dit jaar zelfs niet eens een officiële bar. Hotels waren tot voor kort vooral plekken voor mensen die er logeerden, daar ging je niet heen als autochtoon, behalve misschien – als je een beetje crimineel was – naar barretje Hilton in Amsterdam, maar dat bestaat allang niet meer. En moet je nou eens kijken: hotels willen een buurthuis zijn, plaatselijk trefpunt, hotspot. En dat lukt. Hun bars gaan de concurrentie aan met de plaatselijke horeca, al weet bijna niemand hun echte naam. Men spreekt af bij The Grand (niet in de Bar Lounge & Raw Bar), in het Amstel (A Bar), het Hilton (Half Moon Lounge), Andaz (Blue Spoon Bar) of Okura (Twenty Third Bar). Hotelnamen zitten in ons collectieve geheugen gegrift, dat krijgt geen trendy barnaam er meer uit.

In het buitenland speelt de trend al sinds eind jaren tachtig, toen het eerste designhotel zijn deuren opende, The Royalton in New York, met zijn in één klap intens populaire hotelbar in de lobby. Maar ook eerder, in de periode van het fin de siècle tot aan de Tweede Wereldoorlog, maakten hotelbars al plaatselijk furore, mede dankzij de vele lokale beroemdheden die er hun tweede huiskamer van maakten. Denk aan Dorothy Parker in het New Yorkse Algonquin, Marcel Proust in het Parijse Ritz, F. Scott Fitzgerald in The Plaza en Woody Allen in The Carlyle (waar hij nog steeds een regelmatige gast is en soms zelfs nog optreedt met zijn klarinet).

In andere wereldsteden heeft de hotelbar zijn populariteit vooral te danken aan zijn monopolie op alcohol. Welgestelde expats moeten bijvoorbeeld in Kairo en Qatar uitwijken naar hotels voor een cocktail of een biertje. In Stockholm, waar na middernacht bijna nergens meer alcohol geschonken mag worden, is de hotelbar een uitwijkmogelijkheid voor clubgangers.

Inmiddels behoren hotelbars in zowat alle grote buitenlandse (hoofd)steden – het is bij uitstek een grootsteeds fenomeen – tot de populairste ontmoetingsplekken voor het lokale uitgaanspubliek, van het namiddagse borreluur (erg in trek in New York) tot aan nachtelijke slemppartijen. Het cocktailaanbod is er doorgaans groter en de kwaliteit beter, het personeel hoffelijker, de ambiance comfortabeler, de snacks lekkerder, de clientèle internationaler en wisselender (je komt eens uit de comfortzone van je gebruikelijke vriendenclubje).

En in welke kroeg krijg je ook echt champagne als je daarnaar vraagt. En niet prosecco (aangeduid met de verfoeilijke term ‘glaasje bubbels’), terwijl de kroegober je vragend aankijkt als je het verschil probeert uit te leggen want, niet zeuren joh, het prikt toch allebei?