Klokkenluiders: gestraft wegens bewezen diensten

Een bescheiden, maar verontrustend bericht in de krant: een ambtenaar van de gemeente Rotterdam die wordt verdacht van lekken naar NRC Handelsblad is per direct ontslagen (Ontslag voor klokkenluider Rotterdam, 30 oktober).

Het ging om de geruchtmakende zaak van de ‘moskee-internaten’ in Rotterdam, die de krant vorig jaar aan het licht bracht. Het ontbrak aan toezicht op illegale en brandgevaarlijke internaten. De ambtenaar wordt ervan verdacht de krant erover te hebben ingelicht, wat neerkomt op „ernstig plichtsverzuim”. Reden voor ontslag.

Hier toont zich het lastige dilemma van elke klokkenluider: loyaliteit jegens zijn werkgever moet worden afgewogen tegen het publiek belang.

Saillant punt: deze ambtenaar gooide niet zomaar een emmer vuile was op straat; hij kaartte de zaak eerst intern aan, en stapte pas later naar buiten. Maar de gemeente Rotterdam heeft wel een meldregeling voor misstanden, maar geen ontslagbescherming voor klokkenluiders. Dat heeft hij dus gemerkt.

Ik moest aan de zaak denken toen ik woensdag aanzat bij een forum op de boekenbeurs in Antwerpen over de positie van klokkenluiders. Te gast was ook de in Vlaanderen bekende Vera Vrancken, een van de klokkenluiders die financieel wanbeleid bij de Hasseltse politie aan de kaak stelden, in de zogenaamde ‘HaZoDi-affaire (naar de naam van politiezone). Vrancken sprak in Antwerpen een desperate column uit waarin het complot van de autoriteiten steeds groter werd, het labyrint allengs complexer, en de ‘vierde macht’ collectief in gebreke bleef – nog steeds.

De menselijke reflex is dan: geef me een korrel zout, het zal toch zeker wel meevallen? Maar sinds Edward Snowden en de NSA weten we weer: een aanval van paranoïa betekent nog niet dat ze niet achter je aan zitten. Onderzoek concludeerde in 2011 dat de HaZoDi-klokkenluiders grotendeels gelijk hadden.

Ook in de zaak rond de Rotterdamse moskee-internaten staat het publiek belang vast; dat was een staaltje onderzoeksjournalistiek waar de krant trots op mag zijn. De krant onthulde dat honderden moslimjongeren in dubieuze internaten verbleven. De krant verkreeg e-mails en documenten over de zaak met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) en citeerde uit een bandopname van een gesprek tussen ambtenaren van de gemeente Rotterdam (..maar onder elkaar zeiden ze iets anders, 23 januariu 2013). De bron van die bandopname werd niet bekendgemaakt.

Het nieuws (Honderden kinderen wonen in moskeeën, 10 november 2012) en de reportage (Onzichtbaar in het internaat van de moskee) van verslaggevers Esther Rosenberg en Andreas Kouwenhoven leidde tot grote opschudding, Kamervragen en uiteindelijk tot maatregelen.

De krant is de zaak gelukkig ook blijven volgen. Al in mei dit jaar kwam een bericht over het voorgenomen ontslag van de Rotterdamse ambtenaar (Ontslag klokkenluider verontrust raad R’dam, 14 mei). Of de man inderdaad een bron is geweest, zal de krant niet zeggen – kwestie van bronbescherming.

Dat consequent volgen is om meer dan één reden goed. Om te beginnen gaat het simpelweg om het vervolg van een kwestie die door NRC Handelsblad is aangekaart – en wie A zegt, moet ook B zeggen. Maar de gang van zaken is ook een illustratie van de schade die een (mogelijke) klokkenluider zichzelf kan berokkenen, ook al heeft hij of zij met dat luiden de samenleving juist een dienst bewezen. Je onthult een misstand, en je eindigt brodeloos in een stacaravan.

Het commentaar sprak zich dan ook uit: „Deze klokkenluider verdient het niet ontslagen te worden (30 oktober). Hij had de samenleving immers een dienst bewezen”. Het commentaar bepleit een „mentaliteitsverandering” onder politici en leidinggevenden. Een eerder commentaar plaatste nuttige en kritische kanttekeningen bij het initiatiefwetsvoorstel voor een ‘Huis voor klokkenluiders’. (Is klokkenluiden te regelen?, 15 mei 2012).

Dat is terecht. Want de klok mag hard luiden, de journalistiek blijft natuurlijk de plicht houden feiten te checken en te wegen, wederhoor te vragen, en context te geven. Alleen de klok horen, of zelfs weten waar de klepel hangt, is niet genoeg.

Maar er valt meer over te zeggen.

Want door de brisante onthullingen van Bradley (Chelsea) Manning en Edward Snowden zijn klokkenluiders nu wel wereldnieuws – maar je kunt je afvragen of hun succes niet ook deels wijst op het falen van gevestigde journalistieke instituties. Enerzijds niet: klokkenluiders hebben oude media nodig, zoals oud-hoofdredacteur van The New York Times Bill Keller steevast benadrukt – niet alleen om hun boodschap te verspreiden, maar ook om die te checken en op een verantwoorde manier te brengen.

Anderzijds, hadden de media niet harder kunnen proberen zélf verhalen en onderwerpen te onderzoeken die nu dankzij klokkenluiders op de agenda staan? Nee, een journalist heeft geen toegang tot de documenten die Chelsea en Edward over het hek konden gooien – maar had de journalistiek genoeg geprobeerd? Soms zijn de media niet agressief genoeg – in de Amerikaanse betekenis van dat woord: agenderend én vasthoudend.

Twee: wat in Nederland óók zou helpen, is grotere, actieve openheid van de overheid. Neem de WOB; er is onlangs nog veel kritiek geuit op die wet, omdat die misbruik mogelijk maakt door eindeloos te ‘wobben’ (of te wobben voor geldelijk gewin, als de overheid de gestelde termijn niet haalt). Maar dat misbruik, waar ook deze krant zich tegen keert, neemt niet weg dat de overheid veel meer openbaar kan maken dan nu gebeurt.

De Raad voor het Openbaar Bestuur pleitte vorig jaar nog voor grotere openheid – en een ingrijpende herziening van de WOB – in het rapport Gij zult openbaar maken. „Niet alleen om tot een beter bestuur te komen, maar vooral als een noodzakelijke voorwaarde om de legitimiteit van en het vertrouwen in het openbaar bestuur te vergroten.”

Ook dat kan helpen om uit de stacaravan te blijven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl