Investeringsverdragen zijn ‘risky business’

Nederland houdt vast aan een zo breed mogelijke bescherming van investeringen en bagatelliseert de risico’s van investeringsarbitrage. Dat kan duur uitpakken, schrijft Roeline Knottnerus.

Demonstratie tegen Canadees mijnbouwbedrijf in Boekarest, Roemenië. Foto AFP

Investeringsverdragen vormen in toenemende mate een bedreiging voor beleidsvrijheid en overheidsbudgetten. Internationaal groeit de kritiek. Zuid-Afrika heeft inmiddels zijn investeringsverdrag met Nederland opgezegd. Ook onze regering zou er goed aan doen haar beleid fundamenteel te herzien.

Investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) omvatten garanties voor buitenlandse investeerders tegen discriminatie, bescherming tegen onrechtmatige onteigening en het recht op een zogeheten ‘eerlijke en billijke behandeling’. Deze bepalingen in IBO’s zijn juridisch bijzonder breed geformuleerd. Daarmee is de weg vrij om ze zeer ruim te interpreteren.

Vanwege de geschillenbeslechtingclausules in de meeste IBO’s leidt dat in toenemende mate tot problemen. Deze clausules stellen internationale investeerders in staat eenzijdig schadevergoedingen te eisen van soevereine staten, ter compensatie van beleid dat negatief uitpakt voor hun winstverwachting. Sinds eind jaren ’90 sporen internationale advocatenkantoren actief transnationaal opererende bedrijven aan om schadeclaims in te dienen. In 2012 dienden er 514 (bekende) investeringszaken.

Allerlei democratisch tot stand gekomen beleidsmaatregelen kunnen onderwerp worden van een geschil. En schadevergoedingen kunnen in de honderden miljoenen lopen. De juridische kosten van een verweer in een investeringsgeschil lopen standaard op tot zo’n 8 miljoen dollar. Dat moet allemaal worden betaald uit publieke middelen en gaat daarmee ten koste van noodzakelijk beleid. Alleen al door te dreigen met investeringsgeschillen hebben bedrijven een krachtig wapen in handen om ervoor te zorgen dat overheden afzien van maatregelen die hen niet bevallen. Zo dreigt in Roemenië, waar de regering de vergunning voor de vanuit milieuoogpunt zeer omstreden exploitatie van een goudmijn wil intrekken, het betrokken Canadese mijnbouwbedrijf openlijk met een claim van 3 miljard euro om de politieke besluitvorming te beïnvloeden. Wereldwijd ervaren landen het huidige kader voor investeringsbescherming in toenemende mate als een knellend keurslijf. Daarom heeft Australië bijvoorbeeld aangegeven geen eenzijdige geschillenbeslechting meer op te nemen in toekomstige investeringsverdragen. En wil Zuid-Afrika onderhandelen over bestaande IBO’s, op basis van een nieuw model dat de risico’s reduceert.

Intussen houdt Nederland onverminderd vast aan een zo breed mogelijke bescherming van investeringen. Dit is een bijzonder onverstandige opstelling. Het aantal arbitragezaken tegen de EU-lidstaten neemt toe. In Duitsland speelt een miljardenclaim van energiegigant Vattenfall – het moederbedrijf van Nuon – rond de beslissing gesteund door een meerderheid in het Duitse parlement, om atoomenergie af te schaffen. En België zag zich onlangs geconfronteerd met een IBO-schadeclaim van een grote Chinese verzekeringsmaatschappij die stelt schade te hebben ondervonden van de Belgische redding van Fortis Bank. Mogelijk moet de Belgische belastingbetaler straks ruim anderhalf miljard euro (!) overhandigen aan deze Chinese belegger. Maar zelfs dit geval, zo dicht bij huis, heeft de Nederlandse beleidsmakers nog niet wakker geschud. Waarschijnlijk gebeurt dit pas als Nederland te maken krijgt met zijn eerste IBO-claim. Die situatie komt rap naderbij, zeker nu de EU bezig is met het afsluiten van handels- en investeringsovereenkomsten met Japan, China, Canada en de VS. Landen waarvan vooral de laatste bekend staat om zijn sterke claimcultuur. Nederland zou zich veel meer rekenschap moeten geven van de risico’s en een betere balans moeten zoeken tussen investeringsbescherming en het bredere maatschappelijke belang.