Hoe vertellen we het de Duitsers?

Stel, u bent een vrouw. U heeft enkele kinderen gekregen, en daarna erg uw best gedaan om weer een slank figuur te krijgen; sport, dieet, nooit én een taartje én een handje chips op één avond. U kent het wel: discipline. En ja, op verjaardagsfeestjes en barbecues was dat best moeilijk, maar u hield vol.

Plots bellen er wijze mannen aan: economen. En die gaan u op nogal pedante toon verwijten dat úw discipline de buurvrouwen extra dik heeft gemaakt. Want al die Bossche bollen die u niet eet, moeten zij verorberen! U ontneemt uw buurvrouwen de kans om ook dun te zijn. Aso.

Wat?!?! Ergernis! Onrecht! Hoe kan míjn discipline in hemelsnaam anderen afhouden van dun zijn?

Dit is ongeveer wat de Duitsers dezer weken overkomt. Trots op hun exportsucces, hun begrotingsdiscipline, en hun groeiende economie, krijgen ze plots van alle kanten het verwijt asociaal beleid te voeren. Die Duitsers zijn niet het toonbeeld van economisch succes, welnee! Ze zijn de vernietiger van groei in de wereld. Dit komt niet van de minsten; het Amerikaanse ministerie van Financiën, het Internationaal Monetair Fonds, de Amerikaanse econoom Paul Krugman, de Britse commentator Martin Wolf van de Financial Times, en sinds deze week ook Europa’s eigen opperambtenaar Olli Rehn. Hij besluit volgende week of hij de Duitse economie gaat doorlichten op deze kwestie.

Wat hebben de Duitsers misdaan? Korte samenvatting: ze exporteren te veel en importeren te weinig. Duitsland verdient veel geld (en economische groei) door ladingen producten te verkopen aan het buitenland, maar vervolgens gaan ze zelf op dat geld zitten. De Duitse binnenlandse vraag is te laag. In een wereld waar überhaupt al weinig vraag is (overal houden consumenten, overheden en bedrijven de hand op de knip), is dat extra pijnlijk. Als de Duitse overheid en de Duitse burgers wat minder zuinig waren dan kon de rest van de wereld ook nog wat aan Duitsland verdienen, bijvoorbeeld door producten aan ze te verkopen. Dan zou de inflatie in Europa niet zo laag zijn, zou de euro minder sterk zijn, zouden zuidelijke landen de (loon)kosten van hun exportproducten niet zo pijnlijk veel hoeven verlagen, zouden die landen meer groeien, zou de werkloosheid daar minder hoog zijn, etcetera. Het succes van Duitsland gaat, kortom, ten koste van anderen.

Nou zit hier best wat in. Al jaren concluderen ook veel rustiger analyses dat de (diensten)sectoren die op het binnenland gericht zijn, opvallend zwak zijn. Dat de Duitse economie overdreven leunt op het buitenland. Zo efficiënt als de exportsector, zo inefficiënt zijn sectoren als het spoor, postbezorging, en de bouw. Volgens de econoom Raghu Rajan is de Duitse economie een lijf met één slap, dun armpje en één supergetrainde arm met spierballen. De Europese Commissie adviseert Duitsland om die ‘binnenlandse’ economie concurrerender te maken door de barrières te verlagen voor nieuwe of buitenlandse bedrijven. Dat is goed voor Duitsland en fijn voor de rest van Europa; die kan proberen meer te verdienen aan de Duitse economie. Maar de hoge toon waarop Duitsland de maat wordt genomen is ronduit absurd. Economische wisselwerkingen tussen landen zijn veel te ingewikkeld om één land schuldig te maken aan het kwakkelen van de halve wereldeconomie. Bovendien is het niet erg handig om het land dat nog groeit in Europa met zijn allen te gaan neersabelen.

Aan één deel van de Duitse zuinigheid wordt gewerkt; de lonen stijgen al, - dat stimuleert de binnenlandse consumptie. Maar dat de Duitse overheid meer gaat uitgeven, zoals de critici vragen, is zeer onwaarschijnlijk. Niet alleen gaat het in tegen alles waar Duitsers in geloven, het is even onredelijk als aan een dunne vrouw vragen meer Bossche bollen te eten voor haar vrouwelijke medemens. Ja, doeiiiii.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie