Het recht gebruikt taal als toverstokje, met eigen spreuken

Wie juridische taal wil begrijpen heeft een schaar nodig of een hi-liter. Knip zinsdelen los van elkaar of onderstreep ze. Laat ze daarna even rusten, herlees ze kalm, liefst hardop. Vat ze daarna in eigen woorden samen. Zoek daarna de context erbij en de betekenis van de juridische concepten. Wat staat hier echt en hoe

Wie juridische taal wil begrijpen heeft een schaar nodig of een hi-liter. Knip zinsdelen los van elkaar of onderstreep ze. Laat ze daarna even rusten, herlees ze kalm, liefst hardop. Vat ze daarna in eigen woorden samen. Zoek daarna de context erbij en de betekenis van de juridische concepten. Wat staat hier echt en hoe moet ik het begrijpen? Ken ik al het jargon? Er zijn tal van ogenschijnlijk gewone woorden die voor juristen immers iets totaal anders betekenen. Betekenen, verschonen, staken, beslag, minuut – de lijst rariteiten is lang.

Oud-SCP directeur Paul Schnabel omschreef recht onlangs als ‘een gelaagd taalspel’. Een groot mozaïek van wetten, uitspraken, begrippen en interpretaties. Veel, misschien wel alle juridische strijd gaat over de inhoud van woorden. Mogen die ruim of beperkt worden uitgelegd? Recht is een hiërarchische taal: de top van de pyramide heeft het laatste woord. Niet dat het dan meteen duidelijk is. Neem het arrest van het Europese Hof in Straatsburg dat advocaten ‘during police interrogation’ aanwezig mogen zijn. De hoogste rechters in Frankrijk, Engeland en Duitsland lieten daarna de advocaat bij het verhoor toe, in persoon. Maar in Nederland vond de Hoge Raad dat aanwezigheid ‘gedurende het verhoor’ ook iets anders kan betekenen. Bijvoorbeeld op de gang zitten, meekijken via een beeldverbinding of overleg tussendoor. Rechtsstrijd is dus taalstrijd. Het is maar net wat je wilt begrijpen of verstaan.

Juristen gebruiken graag archaïsche woorden, abstracte concepten, lange zinnen en vreemde woorden. Neem de kwestie ‘aansprakelijkheid bij letsel’. In 1994 legde de Hoge Raad in het ‘Zwiepende Tak arrest’ uit dat de kans op een ongeval mee bepaalt hoe iemand zich moet gedragen. Een op zichzelf eenvoudige regel, geformuleerd naar aanleiding van een ongeluk in het bos. Vier jongens maakten daar samen een wandeling, waarbij de voorste een schop geeft tegen een tak. Die zwiept hard terug en treft de jongen achter hem in het gezicht. Die moet daarop een oog missen.

 

Is de jongen die de tak liet zwiepen aansprakelijk voor de schade? Het Gerechtshof vond van wel, maar de Hoge Raad van niet. Die zegt dat zo: „Het hof heeft miskend dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.” Prachtig en verschrikkelijk tegelijk, zo’n zin.

Wat is hier aan de hand? Schrijven juristen met opzet omslachtig om het magische karakter van hun werk te onderstrepen? Immers op hun woord gaan „deuren open of dicht, van gevangenissen, fabrieken of kluizen”, zo schreef de Rotterdamse hoogleraar Jan van Dunné ooit.

Het recht gebruikt taal als toverstokje, met eigen spreuken: ne bis in idem, culpa in causa, testimonium de auditu. En met eigen een syntaxis: tangconstructies, dubbele ontkenningen, uienschilconstructies en verouderde, overtollige of vreemde woorden. Kenmerkend is het ‘alles voor de punt syndroom’: een optocht van argumenten die aan de persoonsvorm voorafgaat. ‘Overwegende…’

Juridische tekst moet altijd onpersoonlijk en precies zijn. En dichtbij de formele wettekst blijven. Feiten en omstandigheden worden verbaal ontleed en juridisch hertaald. Een dief is in juristentaal daarom ‘iemand die zich wederrechtelijk iets toeeigent’. Als Johan Cruijff een verbod eist op een boek, schrijft een jurist: „Zijn vorderingen strekken onder meer tot het staken van de openbaarmaking (de verkoop) van het boek en tot schadevergoeding” . Dat leidt tot een plechtige, formele, maar ook uiterst subtiele en zorgvuldige taal. Het summum is de taal van de hoogste rechter, informeel het ‘Hogeraads’ genoemd. Haarscherp en waterdicht formuleren is daar een absolute eis. Het verschil tussen mits en tenzij, tussen wegens en vanwege, tussen terugkomen op en terugkomen van. In arresten mag nooit meer staan dan er staat. Er dreigt altijd een lawine van losse interpretaties.

Soms is het hogeraads héél subtiel. Af en toe vindt de Hoge Raad een lager vonnis ‘geenszins onbegrijpelijk’. Daarin zit dan sneer naar de advocaat die schromelijk overdreef in zijn bezwaren. Ook het verschil tussen ‘wat het Hof klaarblijkelijk’ en ‘wat het Hof kennelijk bedoelde’ betekent iets. Bij ‘klaarblijkelijk’ vond de hoogste rechter geen ruimte voor een eigen interpretatie. Maar bij ‘kennelijk’ wel. Dan permitteert de Hoge Raad zich de vrijheid er toch iets ‘in te lezen’. Als de Hoge Raad een motivering van een lagere rechter als ‘niet onbegrijpelijk’ beoordeelt wil dat niet zeggen dat de hoogste rechter het heus wel begrijpt, of zelfs maar zou onderschrijven. Het betekent alleen maar dat de redenering aan de maatstaf ‘niet onbegrijpelijk’ voldoet.

 

Grootste beduchtheid bij de raadsheren is dat hun tekst buiten hun bedoeling te te ruim worden uitgelegd. Dat leidt tot defensieve formules: ‘in beginsel’ (dus niet altijd). Als er iets ‘voorop wordt gesteld’ dan weet de lezer: alleen binnen dìt kader begrijpen aub, en niet breder. Berucht is een belastingzaak over een stacaravan waarvan de Hoge Raad aannam dat die onroerend was. Waaruit de buitenwereld begreep dat àlle stacaravans in Nederland ‘dus’ onroerend waren. En alle campingeigenaren een enorme aanslag vreesden. Een klein beetje slordig lezen en het toverstokje slaat de plank mis.