Grootmeester

Vandaag begint in India het WK schaken. In Chennai, de woonplaats van kampioen Vishy Anand, die het opneemt tegen de Noorse uitdager en favoriet Magnus Carlsen. Een jonkie. De match over twaalf partijen zal integraal op televisie worden uitgezonden. In India en de Scandinavische landen verwacht men kijkcijferrecords. Schaken is daar nog pronkstuk van de natie, want: noblesse van de geest in de etalages van de wereld.

Denksport voor de hogere mens.

Met Anand heeft India een heuse icoon in huis. Een heer aan het bord, rustig doordenkend. Geen relnicht.

Nog een verschil tussen de lage landen: Nederland heeft een traditie van schakers, van grootmeesters zelfs. België komt niet verder dan bridge in rococosalons voor onbespoten freules. De hoge kunst van de schaaksport blijft een dode letter, tussen Knokke en Aarlen.

Volk van kaarters.

Van Ajax en Johan Cruijff weten Belgen alles, van Laurens ten Dam ook, maar vraag ze niet wie Max Euwe is.

Dus ja: de cultuurgrens in Wuustwezel houdt stand.

Vanwaar die onderlinge vervreemding? Ik denk toch dat het met religie te maken heeft. Nederlanders zijn binnenwaarts gerichte protestanten, Belgen katholieke buitenlui die bang zijn voor stilte en verinnerlijking. Vandaar misschien de onderontwikkelde schaaksport: feest der verinnerlijking. Alleen nog competitie tussen geesten en rekenmodellen, niet tussen gepofte spieren, spuug en ijzerdraad.

Wielrenner Rik Van Looy mocht er niet aan denken bloemenmeisjes te negeren voor en na de Ronde van Vlaanderen. Fischer, Kasparov en Karpov waren door geen tien pornodellen te verleiden tot een teken van leven tijdens schaaktoernooien. Later weer wel.

Monniken.

Al deden chessbabes hun intrede in deze mannenwereld van zombies en mafkezen. Alexandra Koestenjoek bijvoorbeeld. Tot afgrijzen overigens van de gearriveerde kampioene Judit Polgar. De media hadden het zelfs over de Anna Koernikova van de schaaksport. Het contrast met de klassieke, morsige mannen aan het schaakbord, in verfrommelde C&A-jasjes, asgrauwe hemden en broussekapsels, kon niet groter zijn.

De overmacht van Russische grootmeesters was jarenlang zo overweldigend dat ik schaken weleens oneerbiedig een Goelagsport heb genoemd. Vanwaar die Russische overheersing door de eeuwen heen? Zit schaken in de genen? Is het een antwoord op Siberische temperaturen die de mens binnenhouden? Of komt het omdat het in Rusland vroeg donker is? Dat is het in Noorwegen ook en zie: ook daar hebben ze straks een wereldkampioen.

Steller dezes heeft nooit geschaakt. Maar ik ben een trouw lezer van Hans Ree en mijn vriend en schaakmecenas Bessel Kok heeft me jaren geleden eens voorgesteld aan Garry Kasparov en Anatoli Karpov. Gekoesterde vijanden van elkaar.

Uren heb ik gefascineerd gekeken naar hun schaakpartijen op het scherp van de snede. Minder naar het bord dan naar hun mimiek en lichaamstaal.

Miniaturen van de Koude Oorlog.

Kasparov-Karpov was glasnost versus KGB. Guerrilla in blikken en mondhoeken. Oorlog. Die was er ook bij de internationale schaatsbond FIDE. Onder impuls van Kok en Kasparov kwam het zelfs tot een schisma. De FIDE was en is perfect vergelijkbaar met de UCI. Onnavolgbaar in intrige en favoritisme. Ziek van ballotage.

„Een WK is als een kind. Je weet nooit hoe het zich zal ontwikkelen”, was een treffende zin in deze donderdagkrant.

Een kind.

Dat was Carlsen ook nog toen hij grootmeester werd. Amper dertien jaar. Een jongen die waarschijnlijk nooit kapotte knieën bij zijn straatvrienden is gaan halen.

Wonderkind.

Juist dat staat me tegen in de schaaksport. Niets van wat erfelijk is, is van waarde. Een grootmeester van dertien is meer genetisch curiosum dan sporter.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.