Eenzame wolven moorden

Bernard Hulsman grasduint in de stapel met binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indrukken.

Anders dan de Eerste Wereldoorlog heeft de Tweede geen herdenkingsjaar nodig om een stroom boeken te genereren. Hetzelfde geldt voor de aanstichters van WO II, de nazi's. In de berg recente nazi-boeken valt De wanhoopsdaad [1] op. Voor dit boek over de Joodse jongen Herschel Grynszpan uit Hannover, die 75 jaar geleden op 9 november de Duitse ambassade in Parijs binnenliep, de diplomaat Vom Rath neerschoot en zo de aanleiding gaf voor de Kristallnacht, dook de Nederlandse historicus en advocaat Sidney Smeets in archieven in onder meer Duitsland. In zijn met vaart geschreven relaas toont hij aan dat Grynszpan niet de psychopaat was die de filosofe Hannah Arendt in hem zag. Voor het door Grynszpan zelf in de wereld geholpen verhaal dat hij een homoseksuele relatie met Vom Rath had, bestaat geen enkel bewijs, ontdekte Smeets. Grynszpans aanslag was een daad van iemand die vond dat hij iets moest doen aan de jodenvervolging in nazi-Duitsland.

Henri Matisse was een van de entartete kunstenaars van wie werk voorkomt in de schat aan roofkunst die, blijkens berichten deze week, anderhalf jaar geleden werd aangetroffen in een smerig appartement in München. Maar toen de nazi’s in 1940 half Frankrijk bezetten en in de andere helft een marionettenregime installeerde, vluchtte Matisse niet, zo blijkt uit Villa Air-Bel [2]. Matisse vond zichzelf te oud om nog te vluchten, schrijft de Canadese schrijfster Rosemary Sullivan in haar studie over de vlucht van entartete kunstenaars en schrijvers in Parijs, zoals Marc Chagall, Marcel Duchamp, Claude Lévi-Strauss, Max Ernst en André Masson. Ze kwamen veelal terecht in Villa Air-Bel, een nu verdwenen grote villa in Marseille die werd gehuurd door een groepje jongeren, onder wie de Amerikaan Varian Fry van de American Emergency Rescue, een Amerikaanse organisatie die moderne kunstenaars uit de klauwen van de nazi’s wilde redden.

Onzeker was het leven in Air-Bel, schrijft Sullivan die vier jaar lang onderzoek deed. Maar dit was voor de bewoners geen reden om af te zien van drinkgelagen, feesten en vooral intriges die Sullivan met smaak beschrijft.

Over de eerste grote moordaanslag in Amerika in 1968, die op Martin Luther King, is veel minder geschreven dan over de tweede, die op Kennedy. Maar ook over de moord op de leider van burgerrechtenbeweging in een hotel in Memphis op 4 april 1968, wordt beweerd dat James Earl Ray, de schutter die Kings keel aan flarden schoot, niet alleen handelde. CIA, de FBI, de maffia – al de usual suspects worden genoemd als mogelijke betrokkenen bij een complot tegen King. Ook Godfrey Hodgson, de Amerikaanse journalist die Martin Luther King verschillende malen ontmoette sluit in Martin Luther King [3] niet uit dat Ray geen lone wolf was. Maar bij gebrek aan bewijs moeten we er toch van uitgaan dat de moord op King het werk was van een doorgedraaide racist uit het Zuiden, schrijft hij in zijn biografie.

De Oranjezaal in Huis ten Bosch is de Nederlandse Sixtijnse kapel. Amalia van Solms liet de zaal, bedoeld als mausoleum voor haar overleden echtgenoot, stadhouder Frederik Hendrik, in de jaren 1648-1652 van onder tot boven beschilderen door twaalf vooraanstaande historieschilders onder wie Jacob Jordaens.

Jammer genoeg is Huis ten Bosch als woning van prinses Beatrix vrijwel nooit publiek toegankelijk. Maar in De Oranjezaal in Huis ten Bosch [4] is het belangrijkste Nederlandse kunstwerk van de Gouden Eeuw nu en detail te zien. Niet alleen bevat het boek vele kleurenfoto’s van de schilderingen, maar beschrijven verschillende experts hoe ongelooflijk ingenieus de Oranjezaal in elkaar zit.

Huis ten Bosch is gebouwd als buitenplaats in een tijd dat buiten wonen – behalve natuurlijk voor boeren – alleen was weggelegd voor een rijke elite. Maar in de 19de en vooral in de 20ste eeuw kwam buiten wonen ook binnen bereik van eerst de middenklassers en ten slotte ook, in de buitenwijken met rijtjeshuizen, voor Nederlanders met een laag inkomen.

Vooral op de buitenwijken heeft de elite altijd neergekeken, schrijft Ileen Montijn in Landelijk wonen [5].

Nog meer dan de eerste uitgave uit 2002 laat de nieuwe, herziene en uitgebreide versie zich door de originele bronnen en Montijns ondogmatische houding lezen als een alternatieve architectuurgeschiedenis. Zo is het Nieuwe Bouwen in Landelijk wonen niet belangrijker dan de chaletstijl en is Aldo van Eyck niet het onaantastbare ‘ humanistische’ geweten van de architectuur, maar een nogal warrige en intimiderende profeet.