De belofte waarvan Amerika werd beroofd

Over de moord op president John F. Kennedy, op 22 november 50 jaar geleden, is het laatste woord nog niet gezegd. Over zijn gezondheidsproblemen en zijn onstilbare honger naar seks al evenmin. Behalve boeken en films, verschijnen er ook steeds weer nieuwe what if-verhalen: wat zou er gebeurd zijn als hij niet vermoord was?

Boven: actrice Marilyn Monroe staat tussen Robert (links) en John F. Kennedy in, kort nadat ze voor die laatsteHappy Birthday heeft gezongen op een feestje ter ere van zijn 45ste verjaardag, in 1962. Onder: Kennedy tijdens deverkiezingscampagne van 1960 in Los Angeles. Foto’s Getty Images

Wat als John F. Kennedy het korset niet gedragen zou hebben, dat hem met zijn zwakke rug rechtop moest houden? Aan het eind van zijn roman American Adulterer werpt de Britse schrijver Jed Mercurio kort de vraag op naar het leren korset. Dat boek uit 2009 is faction, een merendeels op harde feiten gebaseerd verhaal over Kennedy’s dwangmatige promiscuïteit en de ernstige ziektes waaraan hij leed, maar die voor het grote publiek verborgen bleven: naast een reeks chronische ontstekingen, vermoedelijk ook een auto-immuunziekte. Bovendien was zijn rug nagenoeg verwoest door een oorlogswond, osteoporose en een reeks operaties, waardoor hij zonder hulp nauwelijks kon lopen. Daarom is zijn korset ook nauwelijks weg te denken.

Maar stel dat hij het niet had gedragen, dan was de president na de eerste kogel, die hem in de nek trof en langs zijn keel naar buiten kwam, misschien niet alleen scheefgezakt maar ook voorovergevallen, speculeert Mercurio (1966). Dan had een volgende kogel hem misschien niet in het hoofd geraakt. Misschien had ‘JFK’ de aanslag op 22 november 1963 in Dallas dan overleefd. „En misschien ook had het ontbreken van een korset geen enkel verschil gemaakt”, zegt Mercurio. „Want het is goed mogelijk dat de wond van die eerste kogel al fataal was.”

What if? Wat als Adolf Hitler in 1907 wel was toegelaten tot de kunstacademie? Draai vroeg genoeg aan een klein maar plausibel wieltje, en het hele mechaniek van de geschiedenis wentelt een andere kant op. Talloze serieuze historici en romanschrijvers houden zich ermee bezig. Er is zelfs een officiële naam voor: alternate history. Wat als Kennedy ‘Dallas’ had overleefd? Die vraag komt vanouds in bijna elk rijtje what if’s voor. Rond de vijftigste verjaardag van de moord wordt opnieuw gespeculeerd over de vraag hoe Kennedy’s nalatenschap er in dat geval uit zou hebben gezien.

Kennedy’s presidentsjaren worden herinnerd om zijn staatsmanschap tijdens de Cuba-crisis, zijn Ich bin ein Berliner-toespraak na de bouw van de Muur, het verdrag tegen kernproeven, en door het startschot dat hij gaf voor de race naar de Maan.

Maar ook door Vietnam – de desastreus verlopen oorlog waarin hij de eerste Amerikaanse stappen zette, en die tot 1975 zou duren. Als hij niet was vermoord, zou ‘Vietnam’ heel anders zijn verlopen, is vaker beweerd. Jeff Greenfield doet het opnieuw in If Kennedy Lived. Kennedy was immers gewaarschuwd door het leergeld dat Frankrijk als voormalige koloniale macht had betaald, uitmondend in de nederlaag bij Dien Bien Phu (1954) en een smadelijke aftocht. Hij wilde bovendien de strategie voor Azië herzien. Daarom zou hij verstandig genoeg zijn geweest om zich niet in dat wespennest te steken.

Kennedy was in 1961 inderdaad huiverig voor het sturen van tanks en gevechtstroepen en hield het vooral op ‘adviseurs’ en kleine aantallen special forces die achter de linies de guerrilla moesten smoren. Maar hij geloofde ook heilig in de ‘dominotheorie’ van landen die elkaar zouden omduwen naar het communisme. Vietnam moest de plaats zijn waar Amerika „een streep in het zand” zou trekken, „om onze geloofwaardigheid te bewijzen”, zei hij. Daarbij komt dat Vietnam op dat moment nog helemaal niet de verloren zaak leek van tien jaar later.

Met wijsheid achteraf is het makkelijk speculeren. „Maar het blijft een bewijs uit het ongerijmde”, zegt Jed Mercurio in een telefonisch interview. Ook als Kennedy een andere koers zou zijn ingeslagen dan zijn opvolger Lyndon Johnson, die massaal troepen stuurde, is het moeilijk te zeggen wat er in Vietnam gebeurd zou zijn, en of de kiezers hem bij de verkiezingen van 1964 zouden hebben gesteund. „Als je één les uit de geschiedenis kan trekken, is het wel dat niemand weet wat er volgende week kan gebeuren”, lacht Mercurio.

Soortgelijke bedenkingen zijn er volgens hem te maken bij de burgerrechten voor zwarte Amerikanen, het andere grote project waarmee Kennedy wordt vereenzelvigd. „Honderd jaar zijn voorbij gegaan sinds president Lincoln de slaven bevrijdde”, zei hij in zijn belangrijkste rede over burgerrechten, in juni 1963. „Toch zijn hun nazaten nog altijd niet bevrijd van de ketenen der ongerechtigheid. Deze natie kan nooit volledig vrij zijn totdat al haar burgers vrij zijn. Nu is de tijd gekomen dat deze natie haar belofte moet inlossen.”

Rassenkwesties

Kennedy maakte van de segregatie zo een morele kwestie. In een aantal rassenkwesties, vooral over zwarte studenten die de toegang tot school of universiteit in zuidelijke staten werd ontzegd, maakte hij gebruik van zijn federale bevoegdheden. De beweging voor zwarte burgerrechten kwam zo in een stroomversnelling.

Maar de Civil Rights Act, waarin de segregatie wettelijk werd opgeheven, kwam er pas na zijn dood. Sterker, misschien kreeg Lyndon Johnson juist door Kennedy’s dood de wet op de agenda van het Congres. Niets zou immers „een beter eerbewijs zijn aan president Kennedy’s herinnering dan de vroegst mogelijke goedkeuring van de burgerrechtenwet waarvoor hij zo lang heeft gestreden”, zei Johnson bij die gelegenheid. Evengoed werd het nog een enorm gevecht totdat de wet er in de zomer van 1964 tenslotte was.

Het is daarom paradoxaal genoeg denkbaar dat die wet er niet zou zijn gekomen als Kennedy niet was vermoord, zegt Mercurio. „Burgerrechten waren uiterst omstreden. Door die wet door te drukken had Kennedy de steun in zuidelijke staten kunnen verspelen, en daarmee de presidentsverkiezingen van [november] 1964. Had hij dat aangedurfd?”

Liever, en concreter, speculeert Mercurio over de twee persoonlijke kwesties waarop zijn roman American Adulterer is gebaseerd: Kennedy’s ziektes en zijn zucht naar seks buiten het huwelijk. Vermoedelijk hielden ze zelfs enig verband met elkaar. Kennedy was weliswaar vanouds een vreemdganger, maar zijn libido werd versterkt door amfetamines en anabole steroïden die deel uitmaakten van de cocktail aan pijnstillers, spierverslappers en andere medicijnen die hij dagelijks kreeg, terwijl alleen seks de stress en de ondraaglijke migraines waaraan hij leed kort verlichtten.

Er was zelfs een kleine organisatie binnen het Witte Huis, die ervoor zorgde dat Kennedy zijn dubbelleven kon leiden en elke paar dagen – naast vaste gasten als de twee ‘secretaresses’ voor wie de Secret Service de codenamen Fiddle en Faddle hanteerde – bezoek kreeg van een andere vrouw.

De medische feiten staan vast sinds An Unfinished Life (2003), de biografie waarvoor Robert Dallek inzage kreeg in Kennedy’s medische dossiers van 1955 tot 1963. De feiten over zijn womanizing waren toen al in etappes naar buiten gekomen.

„Een van de dingen die wij nu wel van hem weten, en die de kiezers destijds niet wisten, is dat hij mogelijk een affaire had met een Oost-Duitse prostituee, Ellen Rometsch, en dat op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Als die informatie in handen van politieke rivalen was gekomen, had het gemakkelijk tot een Amerikaanse Profumo-affaire kunnen uitgroeien.”

De Profumo-affaire was een Brits politiek schandaal in 1963, genoemd naar minister van Defensie, John Profumo. De regering van premier Harold Macmillan raakte zwaar beschadigd toen bekend werd dat Profumo’s maîtresse, callgirl Christine Keeler, vermoedelijk ook het bed deelde met een Londense KGB-agent.

„De parallellen zijn enorm”, zegt Mercurio. „’Profumo’ betekende een waterscheiding. Tot dat moment was het privéleven van politici niet iets waar kranten gewoonlijk over schreven. ‘Profumo’ was net zulk groot nieuws in de VS als in Groot-Brittannië. Het is heel goed mogelijk dat een vergelijkbare kwestie in de VS een einde aan zijn presidentschap gemaakt zou hebben.”

Kennedy’s gezondheid opent net zulke perspectieven. Alleen dankzij amfetamines en allerlei paardenmiddelen kon hij korte tijd in het openbaar ogenschijnlijk prima functioneren. Dan zag het publiek een jonge president die energiek kwam aanlopen om Nikita Chroesjtjsov een hand te geven. Maar daarna kon hij dagen niet uit zijn stoel komen. „Als de kiezers zich zouden hebben gerealiseerd dat hij lang niet zo jong en vitaal was als ze dachten, was dat potentieel ook een politiek probleem geworden.”

Want tijdens de campagne voor de Democratische nominatie in 1960 had Kennedy’s eigen team bijvoorbeeld ontkend dat hij aan de ziekte van Addison leed (waarbij het lichaam bepaalde hormonen niet produceert), en zijn artsen verklaarden later dat hij in uitstekende gezondheid verkeerde. „Dat was gelogen, want hij had die kwaal wel degelijk”, zegt Mercurio, „maar die informatie werd de kiezers onthouden om te voorkomen dat ze zouden denken dat ze, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, een zwakke leider hadden.”

Kennedy’s dark secrets

Mercurio noemt deze twee achilleshielen - zijn gezondheid en zijn promiscuïteit - Kennedy’s dark secrets, die onder geen beding naar buiten mochten komen. Toen dat vijftien jaar na zijn dood alsnog gebeurde kreeg zijn reputatie een oplawaai van jewelste. De publieke opinie reageerde geschokt na de onthulling (door het Church Committee in 1975) dat hij een relatie had gehad met Judith Campbell Exner, tevens de vriendin van maffiabazen Sam Giancana en John Roselli. Intussen is de officiële lijst vriendinnen veel langer. En hoewel nooit helemaal vast is komen te staan dat Kennedy affaires had met Angie Dickinson en Marilyn Monroe, maakt Mercurio daar in American Adulterer ook een geloofwaardig verhaal van.

„Maar de tijd schrijdt voort”, zegt hij. „Kennedy’s womanizing wordt niet langer als zo schokkend beschouwd, en de waardering voor zijn presidentschap is breder geworden, met name voor zijn buitenlandse politiek en zijn begaafdheid als spreker. Na het dieptepunt in de late jaren '70 stijgt zijn reputatie weer. „En hij wás natuurlijk een volledig andere president dan degenen die hem voorgingen. Hij was jonger, veel betrokkener. En hij leek benaderbaar en menselijk.” Dat imago werd weliswaar gemanaged, erkent Mercurio, maar als je leest hoe mensen over hem schrijven die dichtbij hem stonden, en veel met hem omgingen, was hij inderdaad toegankelijk, met een goed gevoel voor humor. Hij was good company. Wat niet noodzakelijk het geval is voor veel mensen die die functie hebben gehad. Zijn directe voorganger, Eisenhower, was een veel afstandelijker persoon, veel minder neigend naar het lichte.”

Kan het ook zijn dat hij sindsdien gunstig is gaan afsteken bij sommige andere presidenten – Nixon, Reagan, Clinton?

Natuurlijk, zegt Mercurio, „Al moet je wel onderscheid maken tussen hoe men in de VS en de rest van de wereld naar Amerikaanse presidenten kijkt. Reagan heeft in de VS een grote reputatie, maar minder in de rest van de wereld. En Clinton heeft buiten Amerika een betere reputatie dan ‘thuis’ omdat hij daar nog nauwer met Monica Lewinsky wordt geassocieerd.”

De korte duur van Kennedy’s presidentschap betekende vooral dat er nooit een gevoel kon ontstaan dat hij te weinig heeft gepresteerd, zegt Mercurio. „Vergelijk het met Obama – die trad aan met vrijwel hetzelfde gevoel van hoop en good will. Maar omdat men vindt dat hij in Amerika te weinig voor elkaar heeft gekregen om een grootse president genoemd te worden, is er nu zelfs een gevoel van teleurstelling. Ik vind dat unfair, maar het is wel de situatie met Obama.”

Kennedy maakte zijn eerste termijn niet vol en kreeg niet de kans op een tweede, zegt Mercurio. „Hij heeft simpelweg de tijd niet gekregen een teleurstelling te worden. De belofte bleef in de lucht hangen.”