Dankzij Abe telt Japan weer mee

In een jaar tijd is de stemming in Japan omgeslagen. Premier Abe lijkt er in te slagen de stagnatie met een ambitieus herstelplan te doorbreken. „Maar Abe moet nu doorpakken.”

Illustratie Rhonald Blommestijn

Marc Wesseling is zo’n ondernemer die het economische sentiment in Japan heel precies kan aanvoelen. Hij woont nu elf jaar in Tokio, en heeft er sinds zes jaar zijn eigen reclamebureau, UltraSuperNew. Met hippe internationale klanten als Red Bull, Heineken en computerspelletjesmaker Electronic Arts. Maar de laatste tijd krijgt hij ook veel opdrachten van Japanse bedrijven die zich weer willen laten zien in het buitenland: telecomreus NTT Docomo, Casio, Subaru.

„Ik verwacht veel van Japanse bedrijven in het buitenland”, vertelt Wesseling (41, T-shirt, warrig haar), terwijl hij een rondleiding geeft door het bureau. Zijn team bestaat uit een Japanse en een Australische zakenpartner, en verder uit dertig jonge Japanse en buitenlandse webdesigners, grafisch ontwerpers en accountmanagers. Hun bureaus zijn uitgerust met grote Apple-beeldschermen en de allerkleinste laptopjes. Naast de trap staat de bovenste helft van een reusachtige giraffe, een restant van een campagne voor automerk Mini.

De voorste ruimte van het pand is ingericht als galerie voor moderne kunst. „Het is fijn om ook iets creatiefs te doen dat niet commercieel is”, zegt Wesseling. Om daarna verder te vertellen over de vele zakelijke mogelijkheden die het nieuwe economische beleid van premier Shinzo Abe biedt. Er waait een frisse wind door het land, zegt hij.

Niet alleen ziet hij dat Japanse bedrijven weer willen investeren en meetellen, ook verwacht hij veel van de speciale economische zones die Abe wil inrichten. Met belastingvrijstellingen en overheidsinvesteringen moeten dat aantrekkelijke vestigingsplaatsen worden voor buitenlandse bedrijven. „Dat gaat mij business opleveren”, voorziet Wesseling, „zeker met de Olympische Spelen in 2020 in het vooruitzicht.”

Deflatiedreiging

Deze week was het een jaar geleden dat Shinzo Abe, toen nog kandidaat voor het premierschap, de centrale bank opriep zó veel yens bij te drukken, dat er een einde kon komen aan de deflatie die het land al bijna twee decennia in zijn greep hield. Die ontstond halverwege de jaren negentig, toen de Japanse vastgoedzeepbel uiteenspatte en de economie zijn momentum verloor. De Japanners (127 miljoen) gingen minder geld uitgeven, waardoor de prijzen moesten dalen. En als er eenmaal deflatie is, versterkt die zichzelf: waarom vandaag een nieuwe televisie kopen als die morgen goedkoper is?

Japanners zijn hun situatie een „comfortabele recessie” gaan noemen. De hoogtijdagen waarin Japanse merken als Toyota en Sony wereldwijd de dienst uitmaakten waren weliswaar voorbij, maar rampzalig was het ook niet. De economische groei schommelde al die tijd rond de nul procent, maar de werkloosheid bleef laag en door hard werken en sparen was er voor iedereen nog pensioen.

Japan sukkelde in slaap en de wereld wendde haar blik af, richting China, met al zijn nieuwe mogelijkheden. Op technologiegebied wordt Japan nu vooral voorbijgestreefd door Zuid-Korea. Wie kan, koopt een telefoon van Samsung. Niet van Sony. Een auto van Hyundai doet niet meer onder voor een Toyota.

Sinds enkele jaren groeit het besef dat er iets moet veranderen. De bevolking vergrijst zo snel dat Japan de welvaart niet kan vasthouden zonder overtuigend ingrijpen. Geen van de zeven premiers die Japan in de afgelopen zes jaar heeft gekend, had een oplossing paraat. Ook Abe niet, tijdens zijn mislukte eerste premierschap. Maar dit keer neemt hij zulke drastische maatregelen dat hij de ogen van de wereld weer op Japan heeft weten te richten.

Abenomics wordt zijn economische agenda genoemd. Samengevat komt die neer op wat Abe ‘drie pijlen’ noemt: het creëren van inflatie door een verdubbeling van de geldhoeveelheid, een grote investering in infrastructuur en een breed palet aan structurele hervormingen (zie inzet).

Het gaat niet alleen om de vraag of de derde economie van de wereld (met vorig jaar een bbp van ruim 4.400 miljard euro, ongeveer acht keer Nederland) zichzelf aan de haren uit het moeras weet te sleuren. Voor andere hoogontwikkelde landen zijn er misschien lessen te leren. Sinds kort kent ook de eurozone het risico van deflatie. Donderdag verlaagde de Europese Centrale Bank de rente naar een nieuwe historische ondergrens van 0,25 procent, omdat de inflatie was gedaald tot 0,7 procent.

De bevolking in Europa vergrijst eveneens. En ook wij zijn ontevreden over de economische groei, net als de VS. „In economische termen zijn wij dezer dagen allen Japanners”, schreef columnist Paul Krugman dit voorjaar in The New York Times.

‘Al de juiste dingen’

Abes opmerkingen een jaar geleden bleken het startschot voor een spectaculaire klim van de beursgraadmeter Nikkei, en een even spectaculaire en voor Japan zeer welkome val van de waarde van de yen (zie grafieken). Beleggers zagen weer brood in Japanse bedrijven, die door de goedkopere yen opeens meer konden exporteren. In september werd 12 procent meer uitgevoerd dan een jaar eerder. „Vanuit mijn perspectief zegt Abe al de juiste dingen”, constateerde Sony-topman Kazuo Hirai onlangs. De economie is in de eerste twee kwartalen van het jaar gegroeid met 1 respectievelijk 0,9 procent.

Ook veel ondernemingen die niet op export gericht zijn lijken te profiteren van Abenomics. IT-bedrijf Information Development maakt software voor grote banken en luchtvaartmaatschappijen. „Wij hebben onze orders sinds het begin van het jaar met 10 procent zien stijgen”, vertelt directeur Masaki Funakoshi, terwijl hij melksnoepjes serveert in zijn kantoor in Tokio. Hij legt uit: „De banken hadden de afgelopen tien jaar niet meer geïnvesteerd in hun IT-systemen, maar nu hebben ze weer genoeg vertrouwen in de toekomst om verouderde systemen te vervangen.”

Wachten op de derde pijl

Funakoshi merkt overal om zich heen dat er iets is veranderd in het Japanse bedrijfsleven. Hij ontmoet zakenrelaties vaak ’s avonds, bij een etentje. „Tegenwoordig is het moeilijker om een tafel in een restaurant te reserveren of een taxi te vinden. Ook een hotelkamer boeken voor een buitenlandse klant is lastiger geworden.”

Waarschijnlijk krijgen de 2.000 werknemers van Information Development dit jaar een 3 tot 5 procent hogere eindejaarsbonus. Maar de hogere winst vertalen in structurele loonsverhoging, dat durft Funakoshi nog niet: „Je kunt de lonen wel verhogen, maar je krijgt ze nooit meer naar beneden als dat nodig is.”

Zolang werkgevers er zo over blijven denken zullen werknemers weinig profijt ondervinden van Abenomics. Zonder loonsverhoging betekent de nieuwe inflatie (1 procent in september) voor hen alleen een licht koopkrachtverlies. Dat zal versterkt worden als in april de btw wordt verhoogd van 5 naar 8 procent.

Funakoshi wacht voorlopig af. Hij wil eerst zien of Abe echt werk maakt van zijn derde pijl: de structurele hervormingen die voor groei op de lange termijn moeten zorgen. De plannen van de premier zijn tot nu toe zo weinig concreet, dat vrijwel niemand er blind vanuit gaat dat Japan de weg naar boven heeft gevonden. Want is Abenomics zonder hervormingen wel meer dan een monetaire stunt?

Japans belangrijkste rem op de groei is de vergrijzing. De grootste luierfabrikant van het land verkoopt sinds vorig jaar meer luiers voor ouderen dan voor baby’s. Het aantal mensen in de werkzame leeftijd (15-64) zal dalen van 87 miljoen in 1995 tot 55 miljoen in 2050. Dan zijn er evenveel werkenden als bejaarden, is de verwachting. Nergens ter wereld vergrijst de bevolking zo snel, schreef het IMF vorig jaar in een onderzoek.

Abe wil dit probleem te lijf gaan met wat hij noemt „de meest onderbenutte hulpbron van het land”: vrouwen. Er zijn acht miljoen minder werkende vrouwen dan mannen. Daarmee is de vrouwelijke arbeidsparticipatie een van de laagste van de OESO-landen. Volgens onderzoek van Goldman Sachs kan Japan in theorie 15 procent waarde aan de economie toevoegen als deze vrouwen gaan werken. Maar ondanks Abes voornemen zijn er nog geen echte maatregelen genomen.

Voorlezen

„Het onderwerp bungelt onderaan de lijst”, zegt Marjet Andriesse, directielid bij Randstad Japan. Ze citeert onderzoek waaruit blijkt dat 70 procent van de hogeropgeleide vrouwen ontslag neemt zodra ze een kind krijgen. Sommigen willen voltijds voor hun kind zorgen, anderen voelen zich gedwongen door het tekort aan kinderopvang en de lange werkdagen. Vrouwen krijgen bovendien 30 procent minder betaald dan mannen, in Europa is dat gemiddeld 10 procent.

Abe heeft zich voorgenomen het aantal kinderopvangplaatsen uit te breiden en aangekondigd werkgevers subsidie te geven als zij het (onbetaalde) ouderschapsverlof uitbreiden van anderhalf naar drie jaar. Maar dat zou slechts een deel van de oplossing zijn. Volgens Andriesse is het belangrijk om de werktijden flexibeler te maken. „Japanners maken veel overuren. Het zou een goede eerste stap zijn als je niet tot negen uur ’s avonds op kantoor hoeft te blijven, maar om zes uur je kind kunt ophalen en ’s avonds vanuit huis verder werken.”

Hiroki Yoshida (38), vader van drie jonge kinderen, hoopt een voorbeeld te zijn voor andere vaders. Sinds een jaar werkt hij thuis, als voorzitter van Fathering Japan. Dat is een club van vaders die willen meedoen aan de opvoeding van hun kinderen. Yoshida organiseert bijvoorbeeld workshops voor vaders die niet weten hoe ze met hun kinderen moeten spelen of hoe ze moeten voorlezen.

„Vroeger kwam ik elke avond laat thuis uit mijn werk”, vertelt hij aan zijn keukentafel in Konosu, niet ver van Tokio. „Ik ben het anders gaan doen toen ik merkte dat ik mijn dochtertje niet in slaap kon krijgen. We kenden elkaar niet goed genoeg.”

Fathering Japan heeft 350 leden en lobbyt bij de overheid voor een lagere werkdruk. „Officieel mogen vaders een jaar onbetaald ouderschapsverlof nemen, maar in de praktijk wordt het één of twee weken. Van de twintig vakantiedagen per jaar nemen ze er gemiddeld tien op.”

‘Ga naar huis!’

Yoshida verwacht niet veel van de plannen van de premier. „Abe vraagt werkgevers om kortere werkdagen voor jonge ouders, maar geen enkel bedrijf geeft daar gehoor aan.” Hij heeft net een boek over opvoeding afgerond en hoopt dat de boekwinkels het niet alleen bij de opvoedboeken neerleggen, maar ook bij de afdeling economie. „Vaders moeten meer thuis gaan doen”, vindt hij. „Anders krimpt de bevolking zo hard, dat er niets van dit land overblijft.”

Reclameman Wesseling van UltraSuperNew moet ’s avonds vaak zijn mensen aansporen om te stoppen met werken. „‘Ga naar huis!’, zeg ik dan. ‘Ga naar het museum, ga mensen ontmoeten!’ Als ik dat niet zeg, blijven ze tot negen uur, half tien.”

Japanners willen dat hun land weer meetelt en zijn blij dat er iets gebeurt, merkt Wesseling. „Maar dan moet Abe nu wel doorpakken. Iets veranderen is moeilijk in dit land, maar als het eenmaal zover is, doet iedereen mee.”