Zo was het echt

Je kunt nooit meemaken wat een ander meemaakt, nog niet eens als je samen iets beleefde. Soms als je iemand verslag hoort doen tegen anderen van hoe iets is gegaan, weet je bijna zeker dat hij of zij van alles fout heeft. Dat ook je eigen geheugen je lelijk beentje kan lichten, gaten vertoont en vervalste filmpjes afdraait weet je maar al te goed. Toch houd je gemakkelijk je eigen geheugen voor het betrouwbaarste.

Interessanter is het dat je soms, als iemand anders vertelt over dingen die je zelf ook meegemaakt hebt, gelooft wat hij of zij zegt terwijl dat niet strookt met je eigen waarnemingen of herinneringen. Iemand beweert bijvoorbeeld doodleuk over een vriendin: „Ze werd op mijn verjaarsfeestjes altijd stomdronken en was dan heel vervelend.” „Oh ja?” zeg je verbaasd. Je was zelf ook op die feestjes en er is je nooit iets aan de bewuste vrouw opgevallen.

Je hebt dus niet goed opgelet. De ander heeft een betere blik op de dingen gehad, een die de waarheid dichter benadert dan jij kunt, met je gekleurde geheugenbrilletje, met je, dat weet je zo langzamerhand ook wel, beperkte vermogen om het verleden terug te halen.

Is dat het dat maakt dat iedereen dolgraag het verslag leest van iets waar hij of zij zelf bij is geweest? Dan kom je er eindelijk eens achter hoe het was. Hoe het was buiten je eigen hoofd.

Marjoleine Oppenheim-Spangenberg heeft gelukkig niet zelf meegemaakt wat haar moeder meemaakte. Haar moeder werd als jonge Joodse vrouw opgepakt en via de gevangenis en Westerbork uiteindelijk naar Auschwitz afgevoerd waar ze in de experimentenbarak terechtkwam. Ze kwam er wonderbaarlijk genoeg ongeschonden doorheen, overleefde ternauwernood de dodenmarsen voor het oprukkende Russische leger uit en het grote sterfkamp dat Bergen-Belsen was, en kreeg dertien jaar na de oorlog een dochter, Marjoleine, en daarna nog een zoon.

Over die moeder en over haarzelf als dochter van die moeder schrijft Marjoleine Oppenheim in haar boek Over zij en ik. Over haar verlangen om dichtbij haar moeder te komen, om te voelen wat zij voelde en had gevoeld, om alles te begrijpen en te weten, hoewel ze aanvoelde dat het om voor haar beschadigende verhalen ging. Te verschrikkelijk.

Tegelijkertijd was haar moeder een moeilijke moeder, met angsten en op allerlei momenten opkomende nare associaties – een gestippeld flodderjurkje van het Waterlooplein dat Marjoleine als meisje koopt, veroorzaakt weer die verre, pijnlijke en afwezige uitdrukking waarvan ze weet: dat is niet goed. Er is iets mee.

Je ziet de schrijfster, heel omzichtig en beslist zonder zich leed toe te eigenen, proberen te ontrafelen hoe het was, voor haar moeder, en voor haarzelf.

Hoe het was, dat was ook opgroeien in de jaren zeventig in Amsterdam-Zuid. Schoolfeest op het Spinozalyceum, de speelgoedwinkel in de Beethovenstraat, klompjes van Zwartjes, kleren van het Waterlooplein.

Die wereld ken ik ook. Anders natuurlijk. Ik zoek bij Oppenheim naar de waarheid zoals ik hem vergeten ben. Hoe het was om vijftien te zijn op een schoolfeest, de kleren die je aantrok, de andere indruk die een schoolgebouw op je maakt als er een feest is, de opgewonden verwachting.

We leefden in dezelfde wereld, toen. Ogenschijnlijk. Nee echt. Maar tegelijkertijd was die wereld helemaal niet dezelfde wereld. Is het daardoor dat ik zo onder de indruk ben van de manier waarop zij haar moeders lot beschrijft en de gevolgen die dat had voor de rest van haar leven en dat van haar kinderen?

Misschien. Zeker is dat ik op een of andere manier een glimp van de waarheid meen te hebben opgevangen. Een van de waarheden waarmee mensen leven.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.