Tussen twee vuren

Deze week is het 100 jaar geleden dat Albert Camus (1913-1960) werd geboren. Zijn werk is nog actueel, maar zijn visie op de Onafhankelijkheidsoorlog van Algerije leidt in Frankrijk ineens tot hevige debatten.

Foto uit Olivier Todd: Camus. Une Vie.

‘Camus, die verkoos dus altijd zijn moeder boven rechtvaardigheid’, ratelt het meisje van het Centre Albert Camus in Aix-en-Provence dat een groepje bezoekers rondleidt op de tentoonstelling die de stad aan de schrijver van L’homme révolté heeft gewijd. Ze is al vele beroemde citaten, vergeelde manuscripten en persoonlijke prullen gepasseerd als ze bij de nog altijd delicate discussie over de onafhankelijkheid van Algerije aanbelandt.

„Camus wilde niet kiezen tussen twee vormen van terrorisme”, zegt ze naast een vitrine met manuscripten en brieven aan vrienden waarin de filosoof van het absurde halverwege de jaren vijftig zijn verfijnde standpunt over de koloniale strijd neerschreef. „De aanslagen van de opstandelingen waren voor hem net zo min te rechtvaardigen als het geweld van de Fransen.”

Precies honderd jaar geleden werd Camus in Frans Algerije geboren. In Aix-en-Provence, niet ver van het stadje Lourmarin, waar hij de laatste jaren van zijn korte leven woonde en begraven ligt, zou voor dit jubileumjaar een grote overzichtstentoonstelling komen, waarvoor al in 2008 (nog voor het vorige Camus-jaar in 2010) de historicus Benjamin Stora, kenner van Algerije en van Camus, werd aangezocht.

Maar de voorbereidingen ontaardden in een klassiek Franse ‘herinneringsoorlog’, waarbij Stora, zelf ook in Algerije geboren, vorig jaar om politieke redenen aan de kant werd gezet, Parijs de subsidie introk en de inderhaast aangezochte nieuwe samensteller, filosoof Michel Onfray, de opdracht na alle commotie teruggaf.

De tentoonstelling Camus: Citoyen du monde is een slap aftreksel van de grootse oorspronkelijke plannen. De nieuwe samenstellers hebben de veilige weg gekozen: de oorspronkelijke teksten en filosofische wijsheden, die via enorme schermen gepresenteerd worden, zijn maar niet nader toegelicht om verdere controverse te voorkomen.

Juist hier in Aix hebben zogenoemde pieds-noirs, voormalige kolonialen uit Algerije en hun minstens zo nostalgische nageslacht, nog politieke invloed, schrijft Stora in het net verschenen boekje Camus brûlant, waarin hij zijn eigen gelijk probeert te halen. Zij claimen Camus als een van hen omdat hij nooit geloofd heeft in een onafhankelijk Algerije – en zijn mening nooit heeft kunnen herzien omdat hij voor het eind van de koloniale oorlog dood was.

De nadruk die Stora wilde leggen op Camus’ vroege kritiek op het koloniale systeem en de plaatselijke armoede, zijn verzet tegen Franco en de doodstraf, was tegen het zere been van lokale pressiegroepen, die de burgemeester van Aix onder druk zetten om Stora, volgens een rechtse criticus een ‘zelfbenoemd historicus’ die ‘wordt uitgekotst door de gemeenschap van Fransen van Algerije’, te dumpen.

Het was een herhaling van zetten na het debat over het voornemen van president Sarkozy destijds om Camus bij te zetten in het Panthéon in Parijs. Ook dat liep mis, nadat links de rechtse president ervan betichtte Camus te kapen. Camus’ familie koos in het conflict geen partij en ging daarom uiteindelijk niet akkoord met de ‘pantheonisering’.

Dat is eeuwig zonde, vindt de voormalige speechschrijver van Sarkozy, Henri Guaino. De toespraak voor de herbegrafenis, heeft hij alsnog geschreven voor het boekje Camus au Panthéon: Discours Imaginaire. Tussen de regels door laat hij zien waarom rechts Camus de laatste jaren omarmt: in de discussie over de onafhankelijkheid van Algerije was hij een van de weinigen die de rol van de islam ter sprake bracht en waarschuwde voor een ‘islamitisch rijk’. De ‘haat jegens westerlingen’ was door hem al voorspeld, zei Guaino in een interview.

Dat maakt Camus, na de Arabische lentes, niet alleen actueel, maar ook licht ontvlambaar. Enige jaren geleden werd L’homme révolté (‘Ik kom in opstand, dus wij zijn’) al opnieuw uitgebracht, het boek dat tot de breuk met Sartre leidde en in Oost-Europa en Noord-Afrika door revolutionairen gespeld is. Een rebel, zegt hij daarin, is een gewone sterveling die nee zegt, en ideologisering leidt in ultimo tot totalitarisme.

En nu zijn gebundelde teksten over Algerije (Chroniques algériennes 1939-1958) onlangs opnieuw in Engelse vertaling verschenen, met daarin de klassieke reportage over de armoede en honger in Kabylië uit 1939, waarin Camus zich voor het eerst kritisch toont over het koloniale bestuur, en zijn weggehoonde oproep aan beide partijen om tot een wapenstilstand te komen en nog meer burgerslachtoffers te vermijden.

In een instructief voorwoord probeert Camus zijn vaak onbegrepen Algerije-standpunt uit te leggen: tégen onafhankelijkheid, vóór een federatie en een egalitaire, multiconfessionele samenleving. ‘Iedere dode scheidt weer iets meer de twee populaties’, schrijft hij teleurgesteld. ‘Ik heb de terreur altijd veroordeeld. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik zal mijn moeder verdedigen vóór de rechtvaardigheid’, zoals hij – iets preciezer – na de uitreiking van de Nobelprijs in 1957 zei.

Was hij daarmee een ‘onbewuste imperialist’, zoals Edward Saïd hem in de jaren negentig in de schoenen schoof na analyse van L’Étranger, waarin de dode ‘Arabier’ geen naam heeft, en La Peste, waarin überhaupt geen autochtoon voorkomt? Een ‘pied noir’ zoals alle anderen? Ook Stora geeft geen uitsluitsel. ‘In wezen blijft Camus het Algerije van de jaren vijftig zien door zijn bril van de jaren dertig en veertig. Hij wordt ingehaald door de evenementen’, schrijft hij. ‘Ieder zijn Camus’, vindt Guaino.

‘Albert Camus: Citoyen du monde’, tot 4 januari 2014, Cité du Livre, Aix-en-Provence

Benjamin Stora & Jean-Baptiste Péretié:Camus brûlant. Éditions Stock. Albert Camus: Algerian Chronicles. Harvard University Press. Henri Guaino: Camus au Panthéon. Discours imaginaire. Éditions Plon.