Tussen Concertgebouw en buurthuis

Een Nederlands-Marokkaanse puber, zoon van analfabete ouders, wil laveren tussen twee werelden. Een prikkelend romandebuut dat niet iedereen de schrijver in dank afneemt.

Dat debutant Mano Bouzamour (1991) kan schrijven, toont een goed getroffen, geestig zinnetje als: ‘Allah had haar lichaam besprenkeld met moedervlekjes alsof Hij een cupcake voltooide.’ Een aandoenlijke én wat bronstige metafoor, en daarmee goed passend bij de verteller van De belofte van Pisa, een Marokkaans-Nederlandse puber. Sam – eigenlijk Samir – laveert in zijn leven tussen de Amsterdamse Pijp (waar zijn ouderlijk huis staat) en Amsterdam-Zuid (waar hij op het lyceum zit). Dat zijn wortels in die twee werelden liggen, zit al in dat zinnetje, over het knappe (blanke) meisje Evelien. Nog zo’n voorbeeld: ‘Mijn vader lijkt op Kees van Kooten. Maar dan met baard.’

De autobiografische basis van de roman leverde Bouzamour al een brouille op met zijn Marokkaanse familie, buren en kennissen, vertelde hij in de media. Ze verwijten hem dat hij zijn ouders beledigde en zijn afkomst verloochende, dat hij zijn ziel had verkocht aan de Hollanders. Vergeefs legde Bouzamour ze uit dat het fictie was. Dat niet hij aan het woord was, maar de hoofdpersoon.

En dan nog: Sam doet juist zijn best om zijn ziel níet te verkopen. Hij wil juist níet kiezen voor de één of de ander. Er gaat wel een nieuwe wereld voor hem open in het elitaire Amsterdam-Zuid, een wereld waarvan hij deel wil gaan uitmaken. Hij gaat pianospelen en literatuur lezen en wordt evenzeer verliefd op Simeon ten Holts Canto Ostinato als op de eerdergenoemde Evelien.

Maar hij blijft hardnekkig pendelen, en hij wil tussen het Concertgebouwpubliek én de jochies in het buurthuis blijven zitten. Sam spreekt scherp over de schijnheilige Marokkaantjes die met hun komst naar het vrijdaggebed hun smartphonerooftochtjes afkopen bij hun vaders. Maar zijn ouders valt hij niet af, ook al is zijn Hollandse vriendinnetje thuis niet welkom – z’n ouders zijn minder geïntegreerd, ze zijn analfabeet en spreken geen Nederlands.

Dat gependel tussen de twee Amsterdamse werelden doet sterk denken aan Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje – een boek dat Bouzamour geïnspireerd moet hebben, en waarmee De belofte van Pisa zich in verschillende opzichten goed laat vergelijken. Het multiculturele probleem wordt op een prikkelende manier getoond, even luchtig als genuanceerd. Het is bovendien een verhaal met schwung, met humoristische en spitse dialogen en zinnen die doorspekt zijn met swingende straattaal. Op de beste momenten jongleert Bouzamour met zijn woorden zoals de rappers van De Jeugd van Tegenwoordig dat doen – een speels Nederlands dat in de literatuur van harte welkom is.

In de zinnen van Bouzamour hoor je zijn Marokkaanse tongval terug: een knetterend taalregister van fonkelende, platte én steriele formuleringen, die soms ook in de hoogste versnelling op het dramatische effect af jakkeren. Zoals deze kleine menuet van twee scooters: ‘Daarna vatte al het verkeer ineens moed en begon het kriskras door mekaar te karren. Het pioniersgedrag dat mijn broer en Soesi vertoonden wond mij op, het was imponerend en aanstekelijk en verleende ze glans. Mijn broer en Soesi vielen uit de toon alsof een speciaal levenslicht ze bescheen.’

Dat is too much, maar het past bij de blik op de wereld van de puber Sam. En met die Jeugd van Tegenwoordig-achtige taalcapriolen, de actiefilmische krimiscènes en de Tarantino-achtige wraakfantasieën, lijkt De belofte van Pisa nog het meest besteed aan jonge lezers. Het verhaal wordt ook steeds minder verfijnd: een eindexamenfeest bij een Vinkeveens vakantiehuisje loopt op zo’n manier seksueel uit de hand dat je steeds meer aan een jongerenfilm gaat denken. Wel tekent die scène, met een sympathieke (maar vrij opzichtige) literaire parallel, hoe Sam steeds geen keuze wil maken – ook dan niet, tussen twee meisjes.

Bouzamour heeft een waardevol verhaal te vertellen over multiculturele identiteit en opgroeien en liefde. Maar dat Sams verhaal rooskleuriger eindigt dan dat van de schrijver, die inmiddels met enkele dierbaren gebrouilleerd raakte, is wel een confronterend gegeven – met een ander einde was de roman misschien sterker geweest. De autobiografische werkelijkheid voegt zo een intrigerende dimensie toe.