Straatverslaggever van de alledaagse kleinigheden

Op de expositie over de geliefde columnist van Het Parool, krijgt ook de jonge en de boze Carmiggelt aandacht.

In het voorportaal van het Persmuseum in Amsterdam hangt een bord vol foto’s van bezoekers in een beige regenjas, met een bril op. Dit zijn kandidaten van de wedstrijd ‘Wie lijkt het meeste op Simon Carmiggelt’. De meest gelijkende dubbelganger krijgt het boek Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt.

De wedstrijd is een frivole noot bij de tentoonstelling ‘Carmiggelt, chroniqueur van het dagelijks leven’, die gisteravond opende. Met twee nieuwe bundels en deze expositie eert Nederland de honderdste geboortedag van de Haagse Amsterdammer (1913-1987). De columnist werd ‘de Nederlandse Tsjechov’ genoemd, hij kreeg de P.C. Hooftprijs en de Constantijn Huygensprijs, maar zelf zei hij: „Ik ben verslaggever gebleven”. Vandaar ook dit eerbetoon in het Persmuseum. En inderdaad: verhalende columns waarin klein Nederland wordt getekend horen bij de journalistiek, het vak van de eerstelijns historici.

We zien knipsels van voor de Tweede Wereldoorlog, uit Haagse kranten. Curator Job Schouten licht toe: „Carmiggelt begon als onbetaalde spookschrijver van toneelrecensies en rechtbankverslagen voor een journalist van Het Vaderland, die liever in een tapperij verkeerde dan zelf op pad te gaan.”

Op de expositie hangt zijn eerste column uit Vooruit van 9 maart 1936, ‘Kleinigheden’, waarin hij zijn credo verwoordt. Hij zegt dat hij zal schrijven over „alledaagse dingen. Dingen, die je ziet op straat, in een tram, een café. Voorvalletjes die je treffen, omdat ze een vrolijke of een trieste kant hebben. De mensen helpen, negeren, bekletsen of mishandelen elkaar. Ze maken kleine avonturen mee, ze hebben vreemde gewoonten, die ze aan de openbare weg uitleven.” Ernaast hangt een knipsel ‘Voor den politierechter’, waaruit blijkt dat de scheidslijn tussen column en nieuwsbericht klein was voor Carmiggelt: „De behanger Van den B. was teleurgesteld over het feit dat een meisje, waarmede hij op het Stille Strand van de zomer kennis had gemaakt, haar belofte niet had gehouden.” De behanger stond voor de rechter omdat hij zijn ontrouwe liefde had geslagen. „De klap kostte den jongeman ƒ 5.”

In de oorlog kwam hij naar Amsterdam en kwam in de verzetsgroep rond Het Parool. Vanaf 1946 schreef hij voor de Amsterdamse krant zijn column ‘Kronkel’. Toen het later slechter ging met Het Parool, hield Carmiggelts dagelijkse cursiefje het blad drijvende. Met moeite liet de redactie hem in 1983 gaan.

In navolging van de biografie van Henk van Gelder stelt de expositie het beeld bij van de gemoedelijke opa met de milde blik: een deel is ingeruimd voor de politieke Carmiggelt. Als het ging om oorlogskwesties en communisten kon hij een rode waas voor de droefgeestig hangende ogen krijgen. Relativeren bleek in deze niet zijn sterkste kant. Schouten: „Toen de weduwe van zijn broer Jan, omgekomen in Kamp Vught, ging hertrouwen, weigerde Carmiggelt op de bruiloft te komen omdat de bruidegom bij De Waarheid werkte.”

Ook het beeld dat iedereen zoveel van Carmiggelt hield, wordt bijgesteld – evenals het idee dat schelden en bedreigen een typische uitwas van ons internettijdperk is. Op de expositie hangt een prentbriefkaart waarop de schrijver door een anonymus wordt stijfgescholden. Met als uitsmijter: „Als ik je een keer tegenkom, ram ik je totaal in elkaar, viezerik.” Het doet denken aan een kroegloper in een van de Kronkels, die tegen Carmiggelt zegt: „Hier staat Koos Braksemeyer. Vuile , stinkende luizebroeier, krijg de kanker in je hart.” („’t Lijkt me een kort ziekbed, zei de kastelein.”)

Op een enkeling na, lijken de dubbelgangers op het prikbord niet op Carmiggelt. Zijn gelijkenis is beter te vinden in zijn navolgers, als Sylvia Witteman, die gisteravond de tentoonstelling opende. Voor de Volkskrant zwerft zij door Amsterdam en beschrijft wat ze ziet en hoort, zoals haar voorbeeld een halve eeuw lang deed. Met eenzelfde gelaten lachje, maar met een ietwat fellere oogopslag.

Expositie ‘Carmiggelt, Chroniqueur van het dagelijks leven’ t/m 26 jan. Persmuseum, Zeeburgerkade 10, Amsterdam.