Stedelijke dromen en nachtmerries

Links: Giorgio De Chirico, Le retour du poète (1914) Courtesy: Aga Khan Trust for Culture

De stad is duister. De kasseien zijn nat, de lucht is nevelig, de verlaten straten zijn het domein van de eenling, de moordenaar, de dolende ziel. De stad is de bakermat van de moderniteit en dus van de vervreemding, de angst, de melancholie.

Dat is de stad vol belofte en tristesse die zich in het Museum voor Moderne Kunst ontvouwt in schilderijen, foto’s, films en drukwerk op De melancholieke metropool: Stadsbeelden tussen magie en realisme, 1925-1950. De Belgische gastcurator Steven Jacobs heeft geput uit de collectie magisch-realistische schilderkunst van het museum en die selectie aangevuld met werk uit vooral Belgische en Franse musea en particuliere collecties. Het is de presentatie dwars door de genres die de Melancholieke metropool boeiend maakt.

De werken van schilders als Carel Willink en Pyke Koch zijn met zo’n hyperrealistische perfectie geschilderd dat de schilderkunst en de fotografie in elkaar lijken over te vloeien. Het is een doek van Koch dat het thema van de expositie perfect weet te treffen en meteen relativeert. Zijn Nocturne uit 1930 toont een van binnenuit verlichte pissoir, een ‘krul’: een verrassende en ook grappige mengeling van ranzigheid en huiselijkheid. Ook verrassend, maar dan in zijn spontaniteit, is Strada die periferia van de futurist en fascist Mario Sironi, die met een paar brede verfstreken een auto aan een anonieme stadsrand neerzet.

Fotograaf George Brassaï zette in 1933 de toon met zijn album Paris de nuit, een verzameling beelden van eenzame personages in een stad als een dromerige ruimte met onuitgesproken dreigingen en verlokkingen. Het poëtisch realisme in de films van Marcel Carné – er zijn fragmenten te zien – brengen Brassaï’s foto’s tot leven, maar dan met zwervers en kleine criminelen als onderwerp. Carné werkte samen met de surrealistische dichter en filmschrijver Jacques Prévert en decorontwerper Alexander Trauner. De sterke nachtelijke sfeer creëerden ze in de studio, waar het strijklicht en de beeldcomposities de stad op afroep nabootsten. Joris Ivens moest juist naar buiten voor zijn ‘ciné-poem’ Regen uit 1929; hij heeft twee jaar lang in de regen gefilmd voordat hij zijn ode aan de natte stad compleet had.

De laatste zaal laat zien dat een overvolle stad even bedrukkend kan zijn als de leegte en de duisternis. Willinks Stadsplein is een ijzingwekkende urbane leegte badend in schel licht, terwijl architect en schilder Karl Völkers op Bahnhof hordes reizigers recht op toeschouwer af laat stormen. Ook Oskar Nerlinger, exponent van de Nieuwe Zakelijkheid in Duitsland, jaagt ons de schrik aan met zijn stoet werkers die vreugdeloos naar de fabriek sjokken. De melancholieke metropool kan zowel angst als dromen oproepen, maar een overdaad aan medemens roept meteen de woorden van Sartre in herinnering: l’enfer, cést l’autre. De hel, dat is de ander.