Leidse liberaal zong de sterren van de hemel

Voor het eerst is het muzikale reisverslag van de erudiete ‘Grand Tour’-ganger en zanger Jan Alensoon verschenen. Hij schreef over zijn vele ontmoetingen met buitenlandse prominenten.

‘Verstelt’ en ‘verwondert’ was men overal in Europa over de verbazingwekkende zangkunst van de Leidenaar Jan Alensoon (1683-1769), die hij in het begin van de achttiende eeuw demonstreerde tijdens zijn ‘Grand Tour’. Waar hij ook op zijn cultuurreis naar Frankrijk en Italië werd uitgenodigd, zong hij op zijn eentje een tweestemmige Italiaanse cantate en begeleidde zichzelf op het klavecimbel.

Zijn falsetstem was erg hoog, zijn basstem zeer diep, met drie octaven ertussen. Hij kon razendsnel schakelen en zong dan een flitsende woordenwisseling, zoiets als : ‘Si!’ ‘No!’ ‘Si!’ ‘No!’ ‘Si!’ ‘No!’ – tekst en muziek zijn helaas verloren gegaan. Steeds was er ‘verwondering over mijn gezang’ en vaak moest hij zijn kunststukje herhalen. In een klooster in Milaan haalde de moeder-overste alle nonnen erbij en hij zong zijn nummer nog vier of vijf keer.

Tijdens zijn reis van iets meer dan een jaar zong de 40-jarige mr. Jan Alensoon, een welgesteld man uit de Leidse elite, zijn cantate honderden malen. Dat blijkt uit zijn reisverslag, waarvan het muzikale deel nu voor het eerst in druk is verschenen. De Amsterdamse musicologe Helen Metzelaar schreef er na uitvoerig onderzoek een interessante inleiding bij, die sterk doet verlangen naar de voorgenomen publicatie van het complete reisverslag bij uitgeverij Verloren. Daarvoor wordt nog gezocht naar fondsen.

Het bijna drie eeuwen oude, nog onberispelijke manuscript van Alensoon bevindt zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam: gebonden in blank gestempeld perkament, zes cm dik en meet 17 bij 21 cm. Alensoon schreef in bruine inkt een fraai, zeer leesbaar handschrift met een enkele verschrijving: 482 pagina’s, en register van 62 bladzijden.

Zulk soort reisverslagen van een ‘Grand Tour’ zijn er meer. Maar zeldzaam was dat Alensoon een zeer gedreven muziekliefhebber was. Overal bezocht hij muzikale salons, concerten, hoogmissen en opera’s en deed daarover verslag. Hij was vooral geïnteresseerd in de zangkunst, hoorde castraten, zocht componisten op, zoals Benedetto Marcello, hij hoorde Albinoni, Porpora en Giacomelli, maar miste iedere keer net Vivaldi. En hij ging uiteraard naar Carlo Luigi Pietragrua, de componist van zijn nu wijd en zijd befaamde cantate. Opnieuw was lof zijn deel. Alensoon was een bescheiden, weinig analytische voorloper van de Engelse muziekhistoricus Charles Burney, die vijftig jaar later door muzikaal Europa reisde en daarover nog steeds gelezen boeken schreef.

Jan Alensoon was met reisgenoot Marcus Drabbe op zondag 5 september 1723 vertrokken uit Leiden. Zijn broer en zuster brachten hen naar Rotterdam, waar werd geluncht in Het Swijnshoofd. Via Antwerpen en Brussel ging het naar Frankrijk en Italië tot en met Napels. De terugweg leidde door Zwitserland en Duitsland. Het reisverslag eindigt op dinsdag 19 september 1724: ‘Ik ben ’s aavonds ten neegen uuren te Leijden mijn geboorteplaats aangekoomen, en heb alles t’huijs wel gevonden.’ In ruim twaalf maanden zag hij vele paleizen en monumenten, antieke ruïnes, dertig lusthoven, 307 kerken, kloosters, gasthuizen, bibliotheken en begraafplaatsen, eindeloos veel schilderijen en beeldhouwwerken. ‘Grand Tourisme’ was geen vakantie, maar hard werken.

Uit alles blijkt dat Jan Alensoon een kosmopoliet was, een opmerkelijke personificatie van de pruiken- en regententijd. Hij liet zich twee keer met een pruik op schilderen door Frans van Mieris jr.: een portret en een groepsportret met vijf andere regenten van de Leidse gasthuizen voor ‘sieke personen, drankzuchtigen en krankzinnigen’. Na de Latijnse school promoveerde hij in de rechten. Alensoon was een protestantse, maar verre van preutse liberaal met een zeer brede en actieve belangstelling voor kunst en cultuur. Hij speelde orgel, schreef boeken over muziek en over zijn penningenverzameling, hij vertaalde het baanbrekende boek over zingen (1723) van de castraat Pier Francesco Tosi.

Alensoon onderhield een groot netwerk. Onderweg bezocht hij allerlei mensen die hij uit Leiden kende, hij bracht groeten en brieven over. Hij verkeerde vaak in de hoogste kringen en maakte kennis met Hollandse en buitenlandse ambassadeurs, leden van de adel en de rooms-katholieke clerus, die hem uitnodigden in muzikale salons en meenamen op excursie. In Versailles zag hij twee keer de 14-jarige koning Lodewijk XV, in Venetië stortte hij zich in het carnaval, hij sprak met de koning van Sardinië. Hij was, mede dankzij zijn curieuze zangkunst, overal een groot succes.

Op de 110 pagina’s van dit muziekdeel van zijn reisverslag noemt Alensoon 235 personen. Onder hen Francesco Strijckers, zoals Alensoon hem noemt, de Hollandse consul in Venetië. Hij was de vader van Theodoro Strijker die in 1780 aan de Amsterdamse Leidsegracht een operatheater bouwde, dat snel failliet ging. In Rome bleek Alensoon een fenomeen: de schilder Pietro Leone Ghezzi tekende een karikatuur van hem met pruik, partituur en pronte kont. Was Alensoon, die nooit trouwde, een achttiende-eeuwse homo? Het lijkt er soms op. Was reisgenoot Drabbe zijn vriend? Terwijl de meeste antieke beelden klein geschapen zijn, zag hij met kennelijke wellust ook exemplaren met een ‘schoone groote manlijkheijd’. Het aanbod van een vrouw om haar nageslacht te bezorgen sloeg hij af. Zingende dames hadden zijn belangstelling, zoals de beroemde zangeres Faustina Bordoni. Of Madame Falletti in Turijn. Drieëndertig keer op de heenreis en negen keer op de terugreis ging hij bij haar op bezoek en dan werd er gedurig gezongen. Haar man, een advocaat, was er soms bij maar vaker niet. Hij vond Alensoon kennelijk geen rivaal en zag hem wellicht als een onschuldige charmante kwast, een Hollandse operanicht.