Kutscheidsrechtertje

Scheidsrechters – zo probeerden velen mij te laten geloven – lopen op het veld als vogelvrijen tussen de klerelijers. Ze krijgen negentig minuten lang de grootste bagger over zich heen gestort en mogen van geluk spreken als ze het weekend heelhuids doorkomen.

Ik geloofde dat niet. In mijn vijfentwintig jaar als voetballer had ik zelden incidenten meegemaakt. Zelfs de slechte scheidsrechters kregen doorgaans een beleefd handje na de wedstrijd. Alleen de écht pedante, blinde en kreupele exemplaren konden het zichzelf nog wel eens moeilijk maken.

Toen ik aan het begin van dit seizoen begon met fluiten, maakte ik me dan ook totaal geen zorgen. Zolang ik naar eer en geweten zou handelen en vriendelijk zou blijven glimlachen, kon mij toch weinig gebeuren?

Tien wedstrijden lang was er niks aan de hand. Vaak waren spelers het met me eens, soms waren spelers het niet met me eens. Nooit had ik het gevoel dat het enig moment zou kunnen escaleren. Ha, dacht ik, zie je nou wel? De scheids bepaalt de sfeer op het veld!

Dat dacht ik dus. Tot vandaag. Ik fluit een wedstrijd in de reserve tweede klasse en Team 1 is al meer dan een uur lang beduidend beter dan Team 2. Het krachtsverschil heeft zich ook uitgedrukt in de score. Het staat 4-0 en Team 1 tikt de bal vrolijk rond. Geen moment heb ik het gevoel dat ik iets ‘anders’ doe dan de weken ervoor. Ik fluit gewoon.

Maar de verliezers vinden het niet gewoon. Tijdens de gehele tweede helft wordt bijna elke beslissing die ik neem van bijtend commentaar voorzien en weten elf spelers wel zeker dat ik expres het andere team laat winnen.

Het ergste moet dan nog komen. Het ergste staat namelijk als wisselspeler langs de kant. Het is een sympathiek uitziende dertiger die (zo weet Google mij later te verklappen) bedrijfskunde heeft gestudeerd om zich daarna – o ironie! – te specialiseren in gedragstoezicht. Vanaf het moment dat deze meneer het veld betreedt, is hij zó onuitstaanbaar, dat ik voor het eerst in mijn scheidsrechterscarrière oprecht blij ben als de wedstrijd erop zit. Maar het zit er dan nog niet op. De meeste verliezers lijden aan collectief geheugenverlies en bedanken me voor het fluiten, de gedragsspecialist (6-1 verloren, drie ballen geraakt) wil nog even met me praten. Ik moet eens leren normaal te doen, zegt hij, heb als een gek gefloten, ben een thuisfluiter en een kutscheidsrechtertje. Op de terugweg naar de kleedkamer trakteert hij me op een uitgestoken middelvinger.

Ik kan hem alsnog een rode kaart geven – die macht heeft een scheids – maar ben te verbouwereerd om het te doen. Terwijl ik de briesende man nakijk, begrijp ik hoe naïef ik ben geweest.