Jaap van Zweden wint de strijd van Beethovens icoon

Sommige grote muziek is iconisch, en sommige iconische muziek wordt een cliché. Ta-ta-ta-taaa! De Vijfde van Beethoven is zo’n stuk. Een orkest dat dit meesterwerk op de lessenaar zet speelt tegen een onzichtbare vijand: men moet het noodlotsmotief tot leven wekken voor oren waarin het, duizend keer gehoord, is doodgeslagen.

Jaap van Zweden won die strijd glansrijk. Te gast in Rotterdam dirigeerde hij een frisse, vinnige Vijfde, met een droge, haast taaie strijkersklank en een stevig tempo. Het bombastische slot wist hij zelfs een verrassende lichtheid mee te geven.

Eveneens iconisch en toch van een geheel andere orde is de ruim een uur durende Vierde Symfonie van Bruckner. Bruckners monumentale architectuur is bij Van Zweden in goede handen; de intense concentratie die het realiseren van zo’n klankbouwwerk vergt was volop aanwezig in het uitstekende Rotterdams Philharmonisch.

Direct vanaf het geserreerde hoornsignaal dat de machinerie in beweging brengt, viel alles op zijn plek. Van Zwedens gevoel voor drama en proportie reikte feilloos tot in de finale, waar vertwijfeling en bevestiging om voorrang vechten in een machtige orkestrale gemoedsschommeling.

Maar het was zijn superieure overzicht in de middendelen die deze Bruckner zo goed maakte. Juist de uitgebalanceerde maar ingetoomde krachten lieten het Andante zinderen van spanning. De zwangere stiltes en spatzuivere inzetten leken bedrieglijk eenvoudig. De houtblazers, die een flink deel van het gewicht torsen, waren zowel individueel als in de ensembles zeer sterk. De mysterieuze sfeer, pastoraal en sacraal, ging spectaculair aan diggelen met de schetterende fanfare die het Scherzo inluidt.

Joep Stapel