Het rauwe leven op de alpenweiden

Tientallen schrijvers treden eind volgende week op tijdens het Crossing Border Festival. Van de kaal schrijvende Zwitser Camenisch en de Portugese debutant Pedro tot Hollandse verhalenvertellers.

Dat is een mooie Nietzschevariant: ‘Waar je niet dood aan gaat, word je dikker van’. De kaasmaker zegt het als hij de knecht, de koeherder en de varkenshoeder kaas met maden voert. Nu ja, hij snijdt de maden eruit en gooit de kaas in de rijst. De kaasmaker is de baas op de alm. Hij drinkt flink, wordt met respect behandeld door de boeren wier koeien op de alpenweiden grazen en hij bepaalt wat er gebeurt en hoe. De varkenshoeder staat onderaan in de hiërarchie en heeft dus nogal een hekel aan de kaasmaker. De kaasmaker is een smeerlap, een drinkebroer en een oplichter. Maar kaas maken kan hij wel.

In Sez Ner van de Zwitserse schrijver Arno Camenisch (1978) is men een zomer lang aanwezig in de bergen bij de hut waar de kaasmaker, de knecht, de koeherder en de varkenshoeder hun werk doen. De koeien en de varkens van de boeren lager in het dal weiden ’s zomers daarboven. De vier mannen halen dolletjes uit met elkaar, gaan ruw om met de beesten en de omgeving, lachen zich slap om dagjesmensen die met mooie auto’s naar boven komen rijden en dan tot de ontdekking komen dat ze alleen maar achteruit weer terugkunnen rijden als ze langs de herdershut gekomen zijn – de weg is te smal om te keren met hun grote glanzende auto’s.

Sez Ner is het eerste deel van een trilogie en het is een merkwaardig kaal boek. De hutbewoners krijgen geen namen, de koeien en de boeren wel, maar kennen leren doe je ze in het geheel niet. Van de herders komen we van alles te weten: hoe ze eten (hard brood met beschimmelde randen tot het eindelijk de dag van het nieuwe brood is), pissen, in de drek vallen, hooi halen en over de zolder verdelen, een stok snijden in de mist, de varkens ringen.

Niets over hun achtergrond, hun verlangens, hun intieme gedachten. Wel hun kleine opmerkingen over elkaar en andere mensen. Camenisch schrijft merkwaardig droog en ongelooflijk beeldend. In eerste instantie lijkt dit zo’n uitgeloogd boek waarbij het de schrijver om de kaalheid gaat. Maar dat is het niet. Het is wel kaal, maar die kaalheid wil niet de aandacht op zichzelf vestigen. Die dient om je het ruwe leven op de alpenweiden te laten zien, zonder te romantiseren, zonder weemoedig te doen, en zonder te klagen. Maar met humor. De vertelwijze lijkt wel wat op die van de Vlaamse schrijver Leo Pleysier met zijn Wit is altijd schoon en andere boeken die het Vlaamse familieleven weergaven.

In het tweede deel en derde deel van de trilogie, Achter het station en De Laatste, is Camenisch afgedaald naar een dorp. Een bergdorp, dat wel, en de bewoners van de lager gelegen steden zoals Chur, kijken neer op de dorpse ‘hooglanders’. In Achter het station ligt het perspectief bij een jongen die nog niet naar school gaat en die met zijn broer door het dorp schuimt en kattenkwaad uithaalt. De volwassenen blijven op enige afstand al hebben ze wel namen, maar ook hier is geen psychologische roman bedoeld. Het is een adembenemende karakteristiek van een dorpsleven gezien door een geest die nog geen verbanden legt en die met zijn onbevangen vertelwijze ook vaak grappig is in zijn karakteristieken van het dorp en zijn bewoners, zoals de kippige, oude mevrouw Muoth met haar VW-kever. ‘Om kwart voor twaalf staan de mensen in ons dorp langs de kant omdat mevrouw Muoth als een raket door het dorp vliegt om bij haar bijen te komen. Om kwart voor één gaan de mensen opnieuw aan de kant. Dan rijdt mevrouw Muoth in tegengestelde richting door het dorp.’

Camenisch, zelf afkomstig uit Graubünden, de streek die hij beschrijft (hij voert zichzelf in het derde deel op als de door het dorp belachelijk gevonden schrijver), is meer malen bekroond voor deze inderdaad schitterende trilogie, die doorspekt is met Reto-Romaans. Soms kan een romanschrijver het leven juist laten zien door géén psychologie in te zetten. De dorpsbewoners praten en doen, en Camenisch kijkt en luistert. En vangt dan alles in zijn doeltreffende zinnen.

Arno Camenisch staat op 15 november in Den Haag.