Het Amerika van een ja-zegger

In zo’n 500 essays komen extremen uit de Amerikaanse cultuur voorbij: van Hopper tot Madonna, van Melville tot Roth. Een tocht vol verwondering door het ‘Beloofde Land’.

Vijftien jaar was hij, alleen op zijn kamer in het saaie, suburban Alkmaar, dromend van een ver Amerika. Nu viert Joost Zwagerman zijn vijftigste verjaardag met 1200 pagina’s grote liefde:‘All things American’. Bijna vijfhonderd essays bleek de romancier en kunstfanaat de afgelopen decennia te hebben geschreven over zijn omzwervingen door de Amerikaanse cultuur. Hij selecteerde ze voor het nu verschenen tweedelige Americana, schrapte en schreef bij. Natuurlijk kreeg Warhol een eigen afdeling, maar Zwagerman scheert ook langs Madonna, Bellow (schrijver Saul), Bellows (schilder George) en Nabokov (in de sectie ‘Greencard’), om te eindigen met fotograaf Gregory Crewdson en diens Hopper-achtige treurlicht.

Zijn introductie weerspiegelt direct wat Zwagerman het meest aantrekt in het ‘Beloofde Land’ van zijn jeugddromen. Hij vergelijkt zijn eenzame fascinatie (een eenzaamheid die gelukkig al gauw werd doorbroken dankzij het gezelschap van Salinger’s graanvanger Holden Caulfield) met die van zo’n zelfde jongen in zo’n zelfde voorstad, maar dan de Britse variant. Die groots dromende jongen uit Bromley groeide uit tot David Bowie. Een onbescheiden parallel die precies past bij het Amerika dat Zwagerman waardeert: een ‘gedroomde oneindigheid’ die niet wordt ingetoomd door Hollandse schroom, een onmetelijk land waar het hoge koren van de verbeelding veel wind vangt en soms knakt onder het gewicht van de grote verwachtingen. Zwagerman zet de Amerikaanse cultuur uiteen aan de hand van extremen die uiteindelijk dicht bij elkaar liggen. Zo zijn de tragische helden ‘destroyed by madness’ veelal voormalige hemelbestormers à la Allen Ginsberg of Michael Jackson, slaat kinderlijke puurheid door in overmoed en verwordt de rebel tot mainstream artiest. De rebellen die Zwagerman noemt zijn dan ook vooral Grote Namen (Burroughs, Ginsberg en Kerouac; Mailer, Updike en Roth), obscuurder artiesten blijven onbenoemd.

Dat geeft niet. Zwagerman pretendeert niet dat dit ‘all things American’ volledig is. Hij wil zíjn Amerika vatten. Voor dat Amerika heeft hij zo veel enthousiasme opgevat, voor dat Amerika weet hij je warm te maken. Zwagerman verklaart zich een ‘ongeneeslijk escapist’, hij wil in ‘het continuüm’ raken van de plaats, de tijd, de persoon en diens kunst en de romantiek laten bestaan. De scheve sociaal-economische verhoudingen in het land sijpelen wel binnen via het werk van de bewonderde artiesten, maar hier krijgt zelfs tragiek een goudkoren randje omdat Amerikanen hun mislukking vol overtuiging vormgeven.

De weigeraar

Fitzgeralds The Great Gatsby is daar een goed voorbeeld van: Jay Gatsby is een selfmade man van eenvoudige komaf, meedogenloos opgeklommen tot groot zakenman, maar zijn hoop om een ‘voorgoed voorbij verleden te laten herleven’ met jeugdvlam Daisy, biedt een glanzend motief voor corruptie en mateloze ambitie.

Een belangrijk figuur in Zwagermans Amerika is de weigeraar, de naysayer. Waaronder favoriet: Bartleby van Herman Melville, de kantoorklerk die aan zijn weigeringen ten onder gaat. Geknakt sterft Bartleby in een politiecel. Zwagerman zelf is daarentegen alles behalve een naysayer. Aan zijn essays gaat een JA! van bevlogenheid vooraf. Fictie, verbeelding en verhalen hebben geen excuus nodig om te bestaan, daarin is zijn overtuiging onverschrokken Amerikaans.

Wat Zwagerman wél gemeen heeft met Bartleby, is dat we hem niet werkelijk te zien krijgen. Waar Bartleby zich achter zijn nay verstopt – hij weigert te vertellen over zijn weigering – wordt Zwagerman wellicht wat bedolven onder zijn Ja!. Het betreft een subtiel verschil tussen het oprakelen van persoonlijke feiten en het overdragen van persoonlijke urgentie. Voor het sombere deel ‘Het zwarte vaandel op mijn schedel’ (naar Baudelaire) memoreert Zwagerman de zelfmoordpogingen binnen zijn familie en vriendenkring, en zijn eigen plotse depressie. Maar in zijn taal komt die persoonlijke verbondenheid met het onderwerp niet terug. Zo verliest dat wat gezegd wordt aan eigenheid.

Dit valt extra op in tegenstelling tot de New Journalism-stijl van Joan Didion in The Year of Magical Thinking. Haar sobere zinnen leggen de waanzin van een weduwe bloot, Didion eist de aandacht met een spel van kilte en toenadering. Zwagerman mist die ontwrichtende kracht om het vertelde heel dichtbij te laten komen. Zo besluit hij zijn essay over rouwliteratuur (zoals het werk van Didion) met een zin waarin gekunstelde afstand klinkt: ‘Wat is er per saldo op tegen om de doden bij gelegenheid onder de levenden te houden?’

Misschien zit daar nog een restje tienerbescheidenheid uit Alkmaar – hij stelt zich ten dienste van het continuüm van de kunstenaars die hij zo bewondert, maar fungeert daarmee soms te veel als verslaggever en in die functionele taal ontbreekt het aan een originele, kantelende blik.

Fluorescerende frisdrank

De niet-chronologische lezer van Americana kan makkelijk meekomen, want Zwagerman herintroduceert namen en herhaalt feiten. Maar 1200 pagina’s in één ruk is beter, als een reis door Amerika: met iedere volgende staat verandert de wapenwet en het lokale accent – van gezwollen New Yorks tot slepend zuidelijk –, terwijl in elke buitenwijk een identieke Wall Mart staat en men overal dezelfde mierzoete, fluorescerende troep uit een oneindige frisdrankfontein drinkt. Dat klinkt negatiever dan bedoeld: het is geen uitputtende gang van hetzelfde, maar een tocht van verwondering voor wie de ‘voelhoorns’ voor all things American bezit.

Americana eert Zwagermans vijftigste verjaardag, maar viert ook het voortbestaan van een droom die vruchteloos en vergankelijk afsteekt bij de huidige armoede van een land dat ten onder gaat aan zijn eigen gespletenheid. Amerika heeft de verhalen en verbeelding misschien meer dan ooit nodig, en Zwagerman toont zich een gepassioneerd conservator van de ‘gedroomde oneindigheid’, ‘het continuüm’ waarin kunstenaars een ‘urgent complement’ bij de werkelijkheid creëren.

Joost Zwagerman staat 14 november in Enschede en 15 november in Den Haag.