Ex-terrorist plukt nu jasmijn

Negen jaar geleden overleed Arafat. Zijn vertrouweling Bassam abu Sharif, ooit een beruchte terrorist, woont nu rustig op de Westelijke Jordaanoever.

Bassam abu Sharif

Op het door littekens misvormde gezicht van Bassam de vliegtuigkaper ligt een brede glimlach – wellicht door de talloze chirurgische ingrepen. Hij is een en al zeg-maar-Bassam-jovialiteit, plukt jasmijn in zijn tuin op de Westelijke Jordaanoever en geeft me een arm.

Op mijn onderarm rust nu de rechterhand, met drie vingers, van een van de beruchtste terroristen uit de jaren zestig en zeventig. Hij kaapte soms drie vliegtuigen per dag. Bassam abu Sharif (1946) vond Yasser Arafats vrijheidsstrijd met kansloze aanvalletjes op Israëlische doelen maar kinderachtig. Later zou hij Arafats vertrouweling worden.

Komende maandag, 11 november, is het negen jaar geleden dat de Palestijnse leider overleed. „Vermoord door Joodse terroristen”, zegt Bassam, die Arafat in 2002 waarschuwde voor vergiftiging. De verminkte vingers aan zijn linkerhand pakken zijn waarschuwingsbrief aan vadertje Arafat: „Ik smeek u ... eet en drink alleen uit zelf geopende blikjes en flessen ... Israël zal u vergiftigen.”

„Hij luisterde niet en ik kreeg gelijk”, zegt Bassam. „Israël probeert onze grote vrijheidsstrijders altijd te vergiftigen, of op te blazen. Dat flikten ze Abu Jihad, en mij. Dat ik nog leef is een godswonder – ik was een lappendeken. Mijn gesmolten wangen, mijn rechteroog, linkeroor, alles bungelde en bloedhete scherven doorsneden mijn vingers.”

Kapingen waren „broodnodige reclame voor Palestina”. Hij haalt herinneringen op aan het kapen, waaraan hij zijn studie offerde. Een academische titel en geen eigen staat? Nee. En studeren was saai. Hij kaapte liever, samen met collega-terrorist Carlos de Jakhals.

Bassam had als taak de gijzelaars te kalmeren: „Geen zorgen, zei ik dan, het is maar een kaping – terwijl collega-guerrilla’s van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina explosieven onder de vliegtuigstoelen legden. Niet voor jullie, hoor, suste ik, maar om het toestel op te blazen als jullie iets proberen.”

Begin september 1970 kaapte hij vier vliegtuigen op een dag, waaronder een uit Amsterdam, van de Israëlische maatschappij El Al. „Als één toestel lukt, waarom dan niet vier tegelijk, dachten we. We waren sinds de Israëlische bezetting in 1967 niet te stuiten.”

Twee weken later doopte Times Magazine Bassam The face of terror. Zijn twee ‘linkervingers’ pakken het blad van 21 september 1970. Pirates in the sky, staat op het omslag met een fiere Bassam op het ‘revolutionaire vliegveld’ Dawson’s Field, een Jordaanse woestijn. „Hier moesten de gegijzelde piloten landen. Ik kalmeer de gijzelaars, onder wie veel Israëliërs.”

Op een zomerochtend in 1972 ontving Bassam in Beiroet een pakje. „Geen explosieven”, stond erop. Hij opende het, zag een boek over Che Guevara en bladerde het verrukt door. Waarna een helse knal zijn loopbaan als kaper beëindigde.