Er is een grens aan wat van de ECB mag worden verlangd

Zij is welkom, de renteverlaging met een kwart procentpunt tot 0,25 procent die de Europese Centrale Bank (ECB) gisteren verrassend doorvoerde. Maar de vraag is of de stap ter zake doet. Zoals ECB-president Mario Draghi gisteren toelichtte was het met name de sterk gedaalde inflatie in de eurozone die de bank tot de beslissing bracht. Gerekend volgens de uniforme methode van de Europese Commissie zakte de inflatie over de maand oktober naar 0,7 procent. En dat begint gevaarlijk in de buurt te komen van deflatie, het bestendig dalen van de prijzen dat buitengewoon schadelijk kan zijn voor de economie. Consumenten en bedrijven kunnen hun bestedingen gaan uitstellen en schulden worden nog lastiger om weg te werken.

De centrale bank streeft prijsstabiliteit na, die zij definieert als een inflatie van dichtbij de 2 procent. Terwijl bij de aanvang van de monetaire unie ervan uit werd gegaan dat het beteugelen van een te hoge inflatie het voornaamste gevecht voor de ECB zou worden, strijdt zij er nu voor de geldontwaarding juist niet te laag te laten worden. Vanuit dat oogpunt is ingrijpen nu gerechtvaardigd. Maar met de renteverlaging komt de grens van de conventionele monetaire politiek nu wel in zicht. Wat rest zijn onconventionele maatregelen: nieuwe operaties om banken van extra geld te voorzien in de hoop dat zij dat doorlenen aan burgers en bedrijven, negatieve rentes op het door banken stallen van geld bij de ECB of grootscheepse aankopen van langer lopende leningen naar Angelsaksisch model.

Het is lang niet zeker of daarover een consensus kan worden bereikt bij de ECB. Met name vanuit Duitsland is er grote terughoudendheid over, en Duitsland kan en mag niet te vaak worden overstemd door de meerderheid in het bestuur van de centrale bank.

Er zijn grenzen aan wat een centrale bank kan doen, en wat van haar mag worden verwacht. Zij kan in wezen slechts faciliteren. Werkelijke veranderingen zullen in de reële economie moeten plaatsvinden. Het goed kapitaliseren en testen van banken is daarvoor van groot belang, alsook de hervormingen die nodig zijn om de economie van de eurozone te revitaliseren. De terugkeer van het vertrouwen bij burgers en bedrijven is cruciaal en daarvoor is zekerheid over de begrotingspolitiek weer een voorwaarde. Het vraagstuk is dus in wezen politiek en niet monetair.

Wat helpt is de voorzichtige terugkeer van de Europese economie naar groei, zoals volgende week hopelijk zal worden bevestigd in de cijfers over het derde kwartaal. Van de centrale bank is tijdens de eurocrisis in wezen al te veel gevraagd. Het aanspreken van de trukendoos zou, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, ongewenst zijn.