Eerst doen, dan pas begrijpen

Over ‘denkgereedschappen’ gaat het nieuwste boek van Daniel Dennett. ‘Er zit geen grote begrijper in ons hoofd’, schrijft hij, en zie het zelfbewustzijn maar als een ‘bestaand verzinsel’. Maar hoe zit het dan allemaal wél?

Foto Thinkstock

Vrijwel alle boeken van Daniel Dennett gaan over hetzelfde. Dezelfde reeks onderwerpen. Dat geeft niks. Want wat een geweldige onderwerpen pakt hij telkens aan! Bewustzijn, vrije wil, evolutie, kunstmatige intelligentie – in de handen van de scherpe en geestige filosoof Dennett verveelt het nooit.

Volgens de titel gaat zijn nieuwste boek over ‘denkgereedschappen’. Maar in werkelijkheid is het een round up van zijn ideeën, handig vormgegeven als rondleiding langs zijn favoriete gedachtenexperimenten. Zoals dat met de frisdrankenautomaat die van de VS naar Panama gaat. Het apparaat is ingesteld om Amerikaanse kwartjes te accepteren, met die intentie is het ding ontworpen. Maar in Panama werkt hij prima met Panamese kwartjes. Volgt de automaat dan nog wel de intentie van zijn ontwerpers? Dat lijkt een bagatel, maar Dennett legt geduldig uit dat er toch een verschil is met een automaat die speciaal voor Panamese kwartjes is ontworpen.

Met dit verhaal slaat Dennett zijn filosofische tegenstanders om de oren die zich een grote voorstelling maken van een ‘originele intentionaliteit’, een ‘gewilde bedoeling’ van de mens. Alles is afhankelijk van de situatie, ook onze eigen intenties, is zijn boodschap. ‘Een overtuiging staat nooit alleen’, schrijft hij ergens.

Dennett is een beroemd filosoof geworden omdat hij met praktische argumenten grootse verhalen van andere filosofen terug naar de aarde haalt. Wat is eigenlijk ‘iets begrijpen’? Er zit geen ‘Grote Begrijper’ in ons hoofd, iets begrijpen is de optelsom van de activiteit van vele neurale netwerkjes in ons hoofd. Iets begrijpen, ja eigenlijk ons hele zelfbewustzijn, is de top van een grote stapel kleinere mentale activiteitjes. Precies dáárom zeggen we van een schaakcomputer dat die een stelling goed heeft begrepen als die precies de goede zet heeft gedaan. Oké, omdat een schaakcomputer in feite vooral handelt, wil Dennett best spreken van een ‘soort van’ begrijpen. En langzaam realiseert de lezer zich dat ons begrip eigenlijk ook maar ‘een soort van’ begrijpen is. In werkelijkheid is ‘begrijpen’ een vrij vaag verschijnsel. In die schaakcomputer wordt het harde werk gedaan door allemaal kleine schakelingen en wij noemen alleen het resultaat (soort van) begrijpen. En zo gebeurt dat ook in ons brein, met zijn miljarden neuronen.

Er is dus geen denkend ‘wonderweefsel’, zo luidt een van de belangrijkste pleidooien van Dennett. Het is allemaal hard werken. En hij vertelt – typisch Dennett – meteen het verhaal van de goochelaar Randi die door een aanhanger van Uri Geller ooit van dubbel bedrog werd beschuldigd. Want natuurlijk kon Randi alleen maar lepeltjes buigen omdat hij paranormaal begaafd was! Randi’s goocheltruc was bedrog, een schijnbeweging. Het lepeleffect moest mysterieus zijn.

Die neiging ziet Dennett ook bij denken over bewustzijn: ‘Voor veel mensen is het bewustzijn ‘echte magie’. Als je het hebt over iets wat niet superformiweldigeindefantakolosachtig is, dan heb je het niet over het bewustzijn, het Mysterie Voorbij Al Het Begrip’, schrijft hij smalend. ‘Een arsenaal aan trucs in de hersenen kan gewoonweg geen bewustzijn zijn, niet écht bewustzijn.’ Ongeveer zoals sommige naïeve Amerikanen denken dat alleen de dollar echt geld is, alsof mensen uit andere landen altijd even stiekem omrekenen naar de dollar.

En weer heeft Dennett een goochelverhaal paraat, over ‘het gestemde kaartspel’ van de goochelaar Ralph Hull. Iemand kiest een kaart en Hull kan zogenaamd aan de vibraties horen welke kaart dat is. Zelfs voor een publiek van beroepsgoochelaars wilde Hull de truc best vele malen herhalen – iets dat goochelaars normaal nooit doen. En toch konden zijn collega’s er nooit achter komen hoe hij het deed. En waarom niet? Op zijn oude dag openbaarde Hull het geheim: hij gebruikte bij iedere herhaling weer een andere truc, waardoor de kritische toeschouwers volkomen op het verkeerde been werden gezet. Want zij gingen ervan uit dat ze telkens naar dezelfde truc keken. En zo bestaat ook het bewustzijn uit héél veel verschillende trucs. Wie zoekt naar die éne Supertruc, kan lang zoeken.

Het interessante is dat Dennett ons denken en ons bewustzijn helemaal niet gelijkstelt aan ons brein. Hij is geen reductionist, al wordt hij daarvan altijd wel beschuldigd. ‘Niet jouw hersencellen spreken Engels, dat doe jij,’ aldus Dennett. Hij is geen aanhanger van ‘wij zijn ons brein’. Wij zijn gewoon onszelf.

Misschien is de allerdiepste kern van Dennetts verhaal dat er éérst ‘bekwaamheid’ moet zijn, iets kunnen doen, voordat er sprake van ‘begrip’ kan zijn. ‘Bomen beschikken over allerlei vaardigheden en weten die uitstekend te benutten, maar ze hoeven niet te weten waarom.’ Ons hoofd zit vol met competente deel-informatieverwerkers: ‘Die structuren zijn dusdanig ontworpen dat ze meestal het juiste gedrag in gang zetten, maar zonder te hoeven weten waarom dat gedrag juist is.’ Dat is de competentie waarop ons begrip gebouwd wordt. Volgens Dennett is het zelfbewustzijn een soort ‘bestaand verzinsel’: een soort verhalend zwaartepunt van al die kleine machientjes in ons denken. Het is deze ‘soort van’-manier van denken die Dennett tot zo’n concrete filosoof van de vaagheid maakt.

Maar leren we nu ook een denktruc uit dit boek? Ja. Dennetts belangrijkste directe tip is eigenlijk dat je altijd moet opletten als jijzelf (of iemand anders) het woord ‘eigenlijk’ of ‘ongetwijfeld’ gebruikt. Want daarmee wordt vaak onwetendheid onder het tapijt geveegd. Dennett noemt dat ‘Bezem van Ockham’, als variant van het veel geprezen ‘Scheermes van Ockham’: dat een bewijs of een redering altijd zo simpel mogelijk moet zijn. Ongetwijfeld! En altijd als Dennett zelf een van die woorden gebruikt staat er tussen haakjes achter: ping! Let op!