Een ex-post-geval van paranoïa

Het is niet mijn gewoonte, en dat zal het ook niet worden, maar deze column is noodzakelijkerwijs in de ik-vorm. Voor NRC Handelsblad bezoek ik de voorjaars- en jaarvergaderingen van het Internationaal Monetair Fonds. Daar zijn beleidsmakers, bankiers, bewindslieden en andere hoogwaardigheidsbekleders van de internationale financiële wereld volop aanwezig en aanspreekbaar – de reden dat deze krant er al dertig jaar een gewoonte van maakt de halfjaarlijkse IMF-vergaderingen te bezoeken. Je hoort er nog eens wat.

Dat bleek in april 2007. De overnamestrijd rond ABN Amro was destijds in een stroomversnelling geraakt. Nadat de bank onder druk was gezet door investeerder TCI, had zij haar toevlucht gezocht bij het Britse Barclays. Maar nu had zich een triumviraat van Fortis, RBS en Santander gemeld met het prille idee voor een gezamenlijk bod.

Ik had in Washington een aantal ‘deep background’-gesprekken gevoerd met bronnen uit de bancaire sector die ook nu nog niet genoemd kunnen worden. Van hen hoorde ik onder meer dat ING naar ABN Amro had gekeken, maar afzag van een overname, omdat de bank de prijs te hoog vond. Er was brede zorg dat ABN Amro, eenmaal ingelijfd door het driebankschap voor een veel te hoog bedrag, haar vermogensverhoudingen zou moeten verlagen om de winstgevendheid zodanig op te schroeven dat de hoge overnameprijs kon worden terugverdiend. Er was nog meer in, dat hier niet gedeeld kan worden.

Uit de gesprekken bleek, kortom, grote terughoudendheid en argwaan over het bod – die later meer dan gerechtvaardigd zouden blijken.

Dat was fijne en gevoelige informatie over de belangrijkste bank van Nederland, die ik stuurde aan collega Jeroen Wester in Nederland, zodat hij dit in een artikel over de overnamestrijd kon meenemen. Hij stuurde later, met dank, een concept van dat stuk terug. Ook dat zat in de mailwisseling.

Wat daarna gebeurde is mij nog steeds een raadsel. Drie jaar later, in april 2010, was ik wederom in Washington bij de IMF-vergadering. Ik ontving daar uit Nederland een e-mail van een prille vriendin die mij welkom had willen heten in Washington en mij het allerbeste wilde wensen.

Maar die verzonden inhoud kwam nooit aan. Tot mijn verbijstering bevatte de mail in plaats daarvan mijn e-mailwisseling met Jeroen Wester over ABN Amro van drie jaar daarvóór, compleet met alle vertrouwelijke informatie.

Huh? Hoe kwam dit alles drie jaar later terecht in een mail die door volstrekt iemand anders aan mij werd verstuurd, vanaf een computer die ik nog nooit had aangeraakt? Er was geen sprake van het mengen van zogenoemde ‘threads’, geen sprake van onderlinge toegang tot computers en accounts. De onderwerpvelden bevatten volstrekt andere woorden en er zat drie jaar tussen.

Was het toeval dat ik beide malen, in 2007 en 2010, op dezelfde plek was, bij het IMF in Washington, en beide malen gebruikmaakte van het Wi-Fi-netwerk van het IMF?

Ik liet het voorval met de mail voor wat het was. Een technische verwarring (van de drie betrokken accounts was er één van NRC en twee Gmail) is nog steeds een mogelijkheid. Maar toen Edward Snowden deze zomer met zijn onthullingen over de Amerikaanse afluisterdienst NSA kwam, ging er weer een belletje rinkelen. Vorige week bleek dat de Amerikaanse NSA ook het dataverkeer tussen Googles eigen knooppunten monitort. En vrijdag kwam het nieuws dat de NSA sinds jaar en dag ook het IMF en de Wereldbank aftapt.

Het telt op. Ik ben niet zo van de drama’s en de complottheorieën. Toch leek het me goed om dit voorval niet onvermeld te laten.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.