Zo breek je door als documentairefotograaf

Twaalf getalenteerde fotografen doen mee aan de Joop Swart Masterclass Ze krijgen advies van Meaghan Looram, chef fotografie van The New York Times „Ontwikkel een eigen visuele identiteit”

Deelnemers samen met Manoocher Deghati, een van de experts. Foto Michael Kooren

redacteur media

Op een tafel liggen tientallen cameralenzen. Fotografen zitten achter computerschermen, aan de muren hangen beeldreportages van rouwende vrouwen in Iran, spelende kinderen in Gaza en beelden van terminale patiënten in Manilla.

In het pand aan de Prinsengracht in Amsterdam zijn twaalf jonge documentairefotografen, afkomstig uit verschillende delen van de wereld, hard aan het werk. Ze nemen deel aan de Joop Swart Masterclass, een jaarlijks initiatief van World Press Photo, en krijgen een week lang les en advies van professionals uit het vakgebied. Eén van die professionals is Meaghan Looram, plaatsvervangend chef fotografie van The New York Times.

De afgelopen dagen is ze met iedere deelnemer aan tafel gaan zitten om recent werk te bespreken en advies te geven over hun toekomstige loopbaan. „Veel studenten bevinden zich in een beslissende fase van hun carrière”, zegt Looram. „Ze hebben al prachtig werk gemaakt, nu moeten ze een blijvende plaats zien te veroveren binnen de fotografiewereld. Dat is lastig, er zijn nu eenmaal veel documentairefotografen. ‘It’s a crowded profession’.”

Hoe kan een fotograaf zich onderscheiden van andere collega’s?

Meaghan Looram: „Door een eigen visuele identiteit te ontwikkelen. Een goede fotograaf moet op een oorspronkelijke, eigen manier naar de wereld kijken. Evgenia Arbugaeva (een Russische deelneemster aan de masterclass, red.) heeft zo’n eigen stijl. Zij heeft een aantal filmische fotoreportages gemaakt in het hoge noorden van Rusland. Die stijl moet ze verder ontwikkelen. Ik vraag haar nu die zienswijze aan te wenden bij het maken van een gewoon studioportret van een zakenman.”

Zoekt The New York Times naar fotografen met zo’n eigen ‘visuele identiteit’?

„Ja. Zeker voor de voorpagina van de krant is het belangrijk om fotografen te kiezen die een verhaal op een treffende manier weten te vangen. Via een goed beeld wordt een lezer het verhaal ingetrokken. Zoiets is vooral belangrijk als het om zware of moeilijke onderwerpen gaat. Neem de coverfoto van Daniel Berehulak afgelopen zaterdag in de Times: een mooi, mysterieus beeld van twee mannen in een droog landschap. Maar het verhaal gaat wel over opiumverslaving in het grensgebied tussen Afghanistan en Iran.”

Lens, het fotoblog van de Times, investeert veel in multimediale projecten. Moet een documentairefotograaf tegenwoordig ook zelf video- en geluidsopnames kunnen maken?

„Ik zie dat fotografen die technieken vanzelf oppikken. Ze hebben al ervaring met belichting en compositie; het maken van mooie videobeelden komt er een beetje vanzelf bij. Maar een krachtig, enkel beeld maken, blijft het belangrijkst.”

Er zijn veel fotoblogs. Kranten maken er ook steeds meer gebruik van. Wordt online documentairefotografie de toekomst?

„In de afgelopen vijf jaar hebben we bij de krant veel energie gestoken in online fotoreportages. Voor het project A Year at War lieten we in 2010 een fotograaf en een journalist een jaar lang reportages maken over een Amerikaanse legereenheid in Afghanistan. We investeren bewust in dit soort langetermijnprojecten. Het is een manier om de lezer, die weinig tijd heeft, toch een groot verhaal in delen te brengen. Maar daarnaast besteden we minstens evenveel tijd aan het beeld in de papieren krant.”

Krijgt documentairefotografie meer aandacht dan vroeger bij The New York Times?

„Michele McNally, sinds 2004 chef fotografie bij onze krant, heeft de documentairefotografie een prominente plek in de krant bezorgd. Voorheen werd beeld toch vaak ondergeschikt gesteld aan tekst. Dat is voorbij. Aan de vergadertafel krijgt een fotoreportage evenveel aandacht als een geschreven verhaal.”