Wie is Mohammed eigenlijk?

Dante bestraft Mohammed in de Divina Commedia terwijl Goethe hem juist de hemel in prijst. Hafid Bouazza beschrijft de westerse visie op de profeet.

Pelgrims bidden voor de deur van de Kaäba van de Grote Moskee in Mekka tijdens de Hadj – de jaarlijkse bedevaart naar Mekka die iedere volwassen moslim ten minste eens in zijn leven moet verrichten. Foto AP

Makomete, Mahomet, Makhomet, Makometh, Mamette, Mahoen, Mohammed – geen Arabische naam heeft zoveel transformaties in het Westen ondergaan als de naam Muhammad. Het is aantrekkelijk om in die verbasteringen een ontwikkeling te zien van de westerse visie op deze figuur: die gaat van Dantes Maömetto, die diep in de hel gestraft wordt, tot aan een lyrische godzoeker van, jawel, de grote Duitse dichter Goethe.

Een grote veranderingsgroei maakt Mohammed niet mee; er worden alleen verschillende facetten van hem belicht. Het is waar dat Mamette in de middeleeuwse spelen voorkomt als een van de drie afgoden die moslims zouden aanbidden – de andere twee zijn Apollyon en Termagaunt – maar niet alle bronnen uit die tijd delen deze notie.

Sir John Mandeville schreef in 1356 het boek The Travels of Sir John Mandeville. Dit boek was bijzonder populair in zijn tijd (zowel Leonardo da Vinci als Columbus bezat een exemplaar). Hij schreef het in het Frans (Le livre des merveilles du monde), hoewel zeker was dat hij Engelsman was. Veel minder zeker is of hij daadwerkelijk een wereldreis heeft ondernomen, of dat hij niet verder is gekomen dan de bibliotheek.

Mandeville schetst een beeld van de Saracenen (Arabieren), Alkaron (Koran) en Machomet dat, ondanks de verzinsels, ook feitelijkheden bevat die evenwichtig en hoffelijk zijn. Anders dan men zou verwachten is er geen hoon over het islamitische paradijs vol sensuele geneugten en immer maagdelijke vrouwen; hij merkt slechts op: ‘and this is against our creed’.

Over Mohammed komen we te weten dat hij, na aanvankelijke armoede, ‘wijs werd, en rijk en een groot astronoom’. Hij wordt heerser over Corodan (Khorasan, een andere lezing duidt op Kaïro) en hij trouwt met ene Cadrige/Quadryge, dat is Khadidjah, de handelsvrouw en eerste gemalin van Mohammed, vijfentwintig jaar ouder dan hij (volgens de Arabische bronnen).

Wanneer zij ontdekt dat hij aan epilepsie lijdt en ze haar huwelijk begint te betreuren, weet hij haar ervan te overtuigen dat hij niet lijdt aan de vallende ziekte, maar bezoeken krijgt van de aartsengel Gabriël door wiens stralende pracht hij wordt overweldigd.

Een potentie van dertig mannen

Het was de Byzantijnse geschiedschrijver Theophanes (achtste eeuw) die als eerste schreef dat Mohammed aan epilepsie leed. Voor zover ik weet, heerst die opvatting nog steeds. Het is geen vreemde opvatting voor wie de beschrijvingen van Mohammeds ‘epifanieën’ leest.

Opvallend genoeg blijft Mohammed monogaam bij Sir John Mandeville, anders dan bij de historicus Edward Gibbon (1737-1794) die in zijn The decline and fall of the Roman Empire in een voetnoot de hadiths (overleveringen over het leven van Mohammed) aanhaalt die vermelden dat Mohammed zijn elf of dertien vrouwen in een ronde afhandelde. Zijn gezellen stootten elkaar dan aan met de opmerking dat hij de potentie van wel dertig mannen moet hebben gehad. Hij was, uiteindelijk, de gezant van Allah.

Dat hij later wel als wellusteling, geilaard (lecher, libertine) werd omschreven hoeft dan ook geen verbazing te wekken, noch woede, want de Arabische bronnen vermelden het zelf. Gibbon kon zelfs niet nalaten te vermelden dat Ali, schoonzoon en neef van Mohammed, tijdens het wassen van diens lijk onder de indruk van zijn rigor mortis uitriep: ’O profeet, waarlijk uw penis wijst naar de hemel.’

Maar het beeld dat beklijft is dat van Mohammed in de hel van Dante Alighieri (1256-1321), Inferno canto XXVIII. Dat is niet verwonderlijk, omdat het een krachtig poëtisch beeld is – en toepasselijk walgelijk, want in deze onderste cirkels van de hel heersen de lagere menselijke functies (‘en hij had van zijn aarsgat een trompet gemaakt’, over een demon).

Geen vat kan, door verlies van duig of hoepel,/ zo wijd gapen als hij die ik zag,/ gespleten vanaf de kin tot aan waar men scheten laat.// Tussen de benen hingen zijn darmen neer;/ ik zag de ingewanden en de vuige zak/die stront maakt van wat er geslikt wordt.//Terwijl ik hem geboeid gadesloeg,/keek hij mij aan en verscheurde hij met de hand zijn borst/ en sprak: ‘Zie nu hoe ik mij uiteen rijt,// zie hoe verscheurd Mahomet is!

Mohammed wordt hier verscheurd omdat hij een schisma zou hebben veroorzaakt in de kerk; Dante zag de islam duidelijk als een afsplitsing van de kerk en niet als een nieuwe religie. Zo geeft hij Dante een boodschap door aan Fra Dolcino, het hoofd van een orde die rond 1300 ontstond onder de naam gli Apostolici en die als doel had de eenvoudige leefwijze van de apostelen terug te brengen in het christendom (een soort vreedzame salafisten).

Mohammed wordt gestraft voor het veroorzaken van schisma en ‘schandaal’ en Dante gebruikt dit woord in de etymologische betekenis, het Griekse skandalon: een struikelblok, dat wil zeggen een obstakel dat mensen afleidt van het rechte pad. (Een goed equivalent voor het islamitische fitna.)

Extatische lofzang

Hoe anders zou Mohammed onder Johann Wolfgang von Goethes (1749-1832) ganzenveer zijn geworden als deze zijn tragedie Mahomet had voltooid. Nu rest ons slechts een veertigtal regels, een monoloog van Mohammed op zoek naar de ene God (gebaseerd op soera 6:75-79, waarin Abraham hetzelfde doet), een dialoog van hem als kind met zijn min Halima en wat oorspronkelijk een tweezang was tussen Fatima, dochter van Mohammed, en Ali. Deze extatische lofzang op Mohammed heeft Goethe in zijn werk opgenomen onder de titel Mahomets Gesang. Dit fraaie crescendo zou ook gelezen kunnen worden als een metafoor van dichterlijke epifanie:

Seht den Felsenquell/Freudehell/Wie ein Sternenblick!// Über wolken/ Nährten seine Jugend/Gute Geister, Zwischen Klippen/Im Gebüsch.[...]Nach der Ebne dringt sein Lauf/Schlangenwandelend./Bäche schmiegen/Sich gesellschaftlich an ihn;/Und nun tritt erin die Ebne/Silberprangend.[...]Mit zu deinem alten Vater,/Zu dem ewgen Ozean,/Der, mit weitverbreit’ten Armen/Unsrer wartet...

De glorie van goddelijke eenheid en de weerspiegeling ervan in universele liefde, een druppel die de oceaan vormt: Goethes Mahomet zou een zoektocht naar deze kosmische ervaring moeten worden. En het is niet moeilijk te verklaren waarom hij het stuk niet voltooide: het is simpelweg niet waarom het draait in de islam. In de islam staat onbevragende onderworpenheid centraal, niet een samensmelting van microkosmos en kosmos – mens en Allah. Hoe hard soefi’s en andere stonede mystici hun best ook deden. Er is geen extase in de koran.

Ali en Fatima die de ‘Felsenquell’ aanroepen, zouden beter kunnen gaan rennen voor hun leven.