Obama, praat vanuit je ballen

Barack Obama had geen zin in de verkiezingen. Hij vond dat het presidentschap al zijn aandacht opslokte, en keek neer op de Republikeinse tegenkandidaten. Hij vond bovendien dat de kiezer hem op zijn resultaten moest beoordelen – het afwenden van de financiële crisis, de redding van de autoindustrie, de dood van Bin Laden – niet op een „gladiatorengevecht”. Hij weigerde zich goed voor te bereiden op het eerste tv-debat met Mitt Romney, ook omdat hij een „fysieke afkeer” van de tegenkandidaat had. Bill Clinton zei dat Obama met zo’n zwakke tegenkandidaat „meer geluk [heeft] dan een hond met twee pikken”. Als John Kerry, die Romney speelde in de voorbereiding, het hem te moeilijk maakte, kon Obama woedend uitvallen. „Als we hier niets aan doen”, zei zijn naaste adviseur David Plouffe, „kunnen we de hele fucking verkiezingen verliezen.” Het eerste debat met Romney, in Denver, werd hierdoor een fiasco. Obama oogde passief en dromerig. Hij was moe en onvoorbereid. Hierna ontstond er, voor het eerst, paniek in het kamp-Obama. Zijn agenda werd schoongeveegd voor extra prep-sessies. Van Clinton kreeg hij het advies meer „vanuit zijn ballen” te praten, volkser te zijn. Obama zette zijn afkeer opzij en oefende eindeloos in een hotel in Virginia. De latere debatten bleef hij overeind tegen Romney.